WAAR ZIJN MIJN KLOEKEN GEBLEVEN?

 

Enkele  jaren geleden bezaten mijn vogels goede kloeken en blonken daarin op enkele wedstrijden dermate uit dat ze vaak het predikaat “mooiste kloeken” van de jury ontvingen. Doordat ik de vogels met die mooie kloeken reserveerde voor de komende kweek,  rekende ik er vast op dat die kloeken zich steeds maar weer zouden  verbeteren. Maar wie schetst mijn verbazing dat de jaren daarna, bij sommige vogels, de kloekvormen in mindere mate voorkwamen en soms helemaal  waren verdwenen.

Toch had ik in dezelfde lijn doorgekweekt. Ik vroeg mij af: hoe kan dat...?

Bij het naspeuren van de oorzaak van het verdwijnen van de mooie kloeken zocht ik in de eerste plaats mijn oude keurlijs­ten op. Het bleek dat deze bewaarde keurlijsten waardevolle gegevens bevatten en, dat ik ze niet voor niets al die jaren had bewaard.

Met mijn kweekboek ernaast kwam ik, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, achter de waarheid.

Wat was het geval?

Op enkele keurlijsten kwam ik de opmerking van de keurmeester tegen dat de vogels, naast goede kloeken, ook storende kloek­vormen bezaten die door de keurmeester op de keurlijst dan ook prompt werden vermeld d.m.v.  een kruisje achter de op de lijst vermelde" slechte kloeken".

Zelf had ik dat natuurlijk ook wel gehoord maar had geprobeerd deze storende kloekvormen, die het totale lied negatief zouden beďnvloeden, door gerichte paringen eruit te kweken.

Dus wat had ik gedaan- het kweekboek van jaren terug liet dat duidelijk zien- de vogels met de minder goede kloekvormen had ik niet meer in het kweekschema opgenomen

Wel had ik- zoals ook de heer Ramakers in zijn artikel in het februarinummer adviseerde - af en toe een experiment met een nieuw aangeschafte  vogel(s) verricht. Graag maakte ik dan gebruik van een mij imponerende, groene vogel die, wanneer het een man betrof met goede, foutvrije kloeken, poppen kreeg die Waren het poppen dan gebruikte ik een man uit eigen stam waar­van ik zeker wist dat het een goede kloekvogel was.

Maar wat was er nu in werkelijkheid gebeurd?

Ik kwam na dit onderzoek tot de conclusie dat ik, door steeds maar weer vogels met alleen goede kloekvormen aan elkaar te paren en die vogels met de minder goede- sommige zelfs met slechte kloeken- uit te schakelen voor verdere kweek,  ook bezig was om de mogelijkheid om die factor wel te kunnen vererven te reduceren.

 

Wat is nu de slotsom?

Dat datgene waar ik vaak over heb geschreven namelijk een overdreven angst voor een ietwat foutieve klank in een bepaal­de toer. Wanneer je die factor probeert er uit te kweken, loop je de kans dat er iets waardevols in het kanarielied onher­roepelijk verloren kan gaan.

Kloekvormen kunnen heus wel vast in het kanarielied aanwezig zijn, maar bega niet de fout die ik maakte om al de vogels met een minder goede kloek- met overigens andere goede toeren - ­uit te schakelen.

Immers, het moet toch heel erg zijn, wil een keurmeester voor zo'n minder goede klank strafpunten geven. Hij zal het goede waarderen.

Mij zal het niet zo gauw meer gebeuren dat ik een minder goede klank in een overigens waardevolle toer zal proberen weg te kweken.

Het zal overigens een hele toer voor mij worden om die mooie kloeken, waar mijn vogels om bekend stonden, terug te kweken. Maar in de tijd die mij rest blijf ik het proberen.

 

Paul Kwast