EET GEVARIEERD EN TOB NIET. 

 

Eertijds beschreef Dr. Heinz E Schwidde uitvoerig de functies van de diverse mineralen, toegespitst op duiven. Hier een samenvatting van de meest rele­vante zaken, aangevuld met informatie van her en der:

 

CALCIUM

Calcium is niet alleen onmisbaar bij de o~ bouw van het beendergestel maar is even­eens een onmisbaar bestanddeel van alle weefsels en organen.

Daarnaast speelt calcium een rol bij het vervullen van allerlei lichaams­functies. De informatle-overdracht door de zenuwbanen en binnen de hersenen vindt plaats met behulp van calcium.

Belangrijke functies als het reageren op uit­wendige impulsen (geluid, licht) door bijvoorbeeld  spier-bewegingen evenals de activering van de inwendige organen (hart, longen, spijsvertering) zouden zonder calcium niet uit­gevoerd kunnen worden.

Calcium is eveneens een belangrijk bestanddeel van enzymen en het bezit een remmende werking op ontstekingen.

 

Duidelijke gevolgen van calciumtekort zijn: slecht groeien van de jongen, trage reac­tie op uitwendige signalen en onvrucht­baarheid.

Men heeft beenmetingen gedaan van de optische dichtheid van de verschillende kalklagen en kwam tot de verrassende ontdek­king dat langzaam verkregen hoeveelheden kalk hardnekkiger worden vastgehou­den. Dit is vooral van belang op latere leeftijd, wanneer ontkalking gaat optreden. Op den duur word, om de lichaamsfunctie toch in werking te houden, calcium aan het skelet onttrokken wat leidt tot zwakheid van de beenderen of zelfs verlammin-gen.

Wanneer een vogel een grotere behoefte aan cal­cium heeft, wordt de opgenomen hoeveel­heid optimaler benut.

Vitamine D4 heeft een positieve invloed op de opname door het lichaam (= resorptie) van calcium. Spinazie daarentegen remt de opname ervan door het aanwezige oxaalzuur. Het in granen en peulen voorkomende phy­tinefosfor heeft eveneens een negatieve invloed op de calciumopname.

Ook alle medicijnen die werkzame stoffen uit de groep der tetracyclinen bevatten, mogen niet tegelijkertijd met calcumhoudende mineralen (grit, mineralen) gegeven worden.

Tussen de eiwithuishouding en het gebruik van calcium is eveneens een duidelijk verband vastgesteld. Als het bloed rijk aan cal­cium is, verhoogt de hartslag. Zulks in tegenstelling tot de werking van kalium dat de hartslag vertraagt.

Een zodanige wisselwerking ten behoeve van de instand­houding van het evenwicht der krachten bestaat ook ten aanzien van fosfor.

FOSFOR

Fosfor is in het lichaam voor het merendeel gebonden aan calcium en magnesium. De rest komt voor in de spieren, de hersenen en de lever. Als fosforzuur speelt fosfor een ontzettend belangrijke rol in de energievoorziening. De productie, de opslag en het gebruik van energie loopt via het energie rijke fosfaat “adenosinetrifosfaat” ATP. Alleen in deze vorm kan door het lichaam energie worden geproduceerd. Voor de opslag van energie worden fosfaat­zuur onder vrijkomen van water gebonden aan adenosine.

Fosfor wordt voornamelijk als anorganisch fosfaat in het voedsel opgenomen en geresorbeerd. In het lichaam wordt het in orga­nische vorm omgezet als onderdeel van het ATP.

Fosfor speelt ook een rol als calcium c.q magnesiumfosfaat bij de opbouw van het skelet.

De opname van het in het voedsel aanwezige fosfor hangt van verschillende factoren af.

Samen met ijzer en aluminium wordt de resorptie sterk verminderd, doordat deze metalen met fosfor moeilijk oplosbare zouten vormen.

duiven dan met veel.

Tussen 50-70% van het fosfor dat in de granen, peulen en zaden voorkomt, ligt vast als zogeheten phytinefosfor dat met calcium een com­plexe verbin-ding vormt en daardoor bijna niet opneembaar is.

Eén gram phvtinefosfor bindt 0.65 gr calcium waar-door beide ele­menten nauwelijks via de mengeling kun­nen worden geresorbeerd.

Vitamine D3 zorgt voor een betere opname door het lichaam, resorptie, van fosfor. Van de in mineraal-

poeders aanwezige fosfaten worden (mono)calciumfosfaat en monona­triumfosfaat het beste geresorbeerd.

 

MAGNESIUM

Magnesium wordt als magnesiumfosfaat in de opbouw van de botten betrokken. Ongeveer 50% van het in het lichaam aanwezige magnesium is in die verbinding in het been­derstelsel opgeslagen De rest bevindt zich in de lichaamscellen en speelt daar een be­langrijke rol in de stofwisseling.

Alle enzymen die bij de stofwisseling betrokken zijn, worden door magnesium geac­tiveerd. Magnesiumtekort leidt dientengevolge tot ernstige darmstoringen.

Kuikens die geen magnesium toegediend kregen vertoonden groeiafwijkingen, zenuwverschijnselen. kramp, lusteloosheid en ineenschrompelen van de hersencellen.

 

NATRIUM EN CHLOOR

Natrium en chloor worden vaak tegelijk genoemd. Toch hebben ze een verschillende werking.

Natrium oefent invloed uit op de bouw van de eiwitten; chloor heeft een belangrijke werking op de zoutzuurvorming in de maag. Een gezamenlijke werking oefenen ze uit op de waterhuishouding van het lichaam. Zout, een verbinding van natrium en chloor, is voor de mens onmisbaar. Het zit als zoda­nig ook in de mineraalpoeders.

Het grootste deel van beide stoffen bevindt zich in de intercellulaire vloeistof. Hun hoofdtaak is het in stand houden van de os­motische druk. Zout of zoutoplossingen hebben namelijk de eigenschap zich door het aantrekken van water te neutraliseren.

Bloed, celvocht en intercellulair vocht be­schikken over een bepaalde osmotische druk. Wordt in een van de drie genoemde lichaamsvochten, bijvoorbeeld door een sterke opname van zout, de zoutconcentratie verhoogd dan wordt aan de andere ruimte vocht onttrokken. Het gevolg daarvan is een verhoogd dorstgevoel. Anderzijds wordt bij een te lage osmotische druk zoveel natrium en chloor op-genomen totdat een normale con­centratie bereikt is.

 

Natrium en chloor hebben de eigenschap om gemakkelijk en snel via de darmwand op genomen te kunnen worden.

De water- en zouthuishouding van het li­chaam wordt voor het grootste deel uitgevoerd door de nieren. Natrium en chloor worden praktisch uitsluitend door de nieren uitgescheiden. Bij een teveel aan zout wordt de uitscheiding opgevoerd.

Als specifleke functie activeert natrium bepaalde enzymen.

Acuut natriumtekort leidt tot de volgende sympto-men: vermoeidheid, spierkramp, stofwisselingstoring en storingen in de nier en hersenfuncties.

Chloortekort geeft achterstand in de groei, spierzwakte en, als bestanddeel van het maagzuur, een ver­schuiving van het zuurgehalte in de maag. Ziektegevallen veroorzaakt door een tekort aan natrium en chloor blijken in de prak­tijk nauwelijks voor te komen. Veel vaker levert een teveel allerlei bijverschijnselen op.

Met name een te grote hoeveelheid chlori­de leidt tot osmotische storingen, overmatig drinken en diarree.

 

 

 

Wordt vervolgd                                   A.                COOLEN