EET GEVARIEERD EN TOB NIET   12 

 

MOLYBDEEN

Molybdeen is in enkele enzymen terug te vinden. Hiernaast is het betrokken bij de koperstofwisseling en mogelijk ook bij de ij­zerhuishouding.

Voor de veehouderij is de bekendheid en betekenis groter dan voor de mens. Vee dat op een molybdeenrijke weide graast, ver­toont vaak kopergebrek door de toxische werking van molybdeen. Dit geeft aan - en dat geldt ook voor andere sporenelemen­ten - dat het grensgebied tussen essentieel en giftig vaak erg smal is. De behoefte er­aan is echter gering.

Bij vogels is molybdeen betrokken bij de vorming van urinezuur. Een teveel aan molybdeen leidt tot vergiftiging, een tekort tot groeivertraging.

 

JODIUM

Jodium wordt als jodide via de voeding op genomen, al snel in het spijsverteringsstel­sel geresorbeerd, in de schildklier gecon­centreerd en daar in enkele uren tot de schildklierhormonen thyroxide en trijood­thyronine omgezet.

Beide hormonen zijn noodzakelijk voor een normale groei, de ontwikkeling van het ze­nuwstelsel, de zenuwgeleiding en andere metabole functies. Aan een eiwitmolecuul gebonden worden deze hormonen in de schildklier opgeslagen totdat ze als zodanig nodig zijn.

Ongeveer eenderde van het in de afgebroken hormonen aanwezige jodium wordt bij de synthese van nieuwe hormonen herge­bruikt.

Bij een overmaat aan jodium wordt het over­tollige gedeelte met behulp van de nier uitgescheiden. Een te geringe jodiumopname leidt tot een vergroting van de schildklier en veroorzaakt vetzucht bij volièrevogels. Een tekort verslechtert de uitkipping en verlengt de broedtijd.

 

SELENIUM

Pas in 1967 werd aangetoond dat dit ele­ment voor mens en dier essentieel is; eer­der was toxiciteit bekend bij inname van grotere hoe­veelheden. Chemisch lijkt selenium veel op zwavel. Beide elementen komen in gebon­den vorm voor in aminozuren.

Selenium komt in het lichaam voornamelijk voor in de lever, de pancreas, in bloed en in de nieren. Behalve haar nut in enkele enzy­men kan het tevens een rol spelen bij het binden van zware metalen, zoals lood, cad­mium en kwik. De giftigheid hiervan wordt hierdoor sterk verminderd.

Een tekort aan selenium leidt tot groeiver­traging en verminderde vruchtbaarheid.

 

FLUOR

Fluor is het meest bekend als middel tegen tandbederf. Er zijn aanwijzingen dat fluor ook een beschermende factor is bij allerlei vormen van botontkalking. Algemeen kan worden aangegeven dat fluor belangrijk is voor een normale ontwikkeling van het skelet.

               

NIKKEL

De geringe hoeveelheid nikkel is in het Ii­chaam over alle organen gelijkelijk verdeeld. Het activeert enkele enzymen.

Nikkel speet mogelijk een rol bij de vetstof­wisseling. Tevens zijn er aanwijzingen dat nikkel betrokken is bij de regulering van de ijzerabsorptie.

Bij een tekort aan nikkel krijgt men proble­men met de groei, een bloedarmoede en de voortplanting.

 

VANADIUM

Voor vanadium is aannemelijk gemaakt dat het betrokken is bijj de vetstofwisseling en de cholesterolsynthese. Veelbelovend lijkt de rol die vanadium speelt bil de regule­ring van de Na/K-verhouding in de intra- en intercellulaire vloeistof.

Een tekort aan vanadium uit zich in een ver­traagde groei en een gebrekkige voort­planting.

 

SILICIUM

Silicium is belangrijk voor de vorming van bind-weefsel Bil kippen is aangetoond dat silicium essentieel is voor een normale groei   en optimale botmineralisatie. Het kan eet fundamentele rol spelen in de vroege stadia van het botvormings-proces. Een tekort openbaart zich in groeivertra­ging en botafwijkingen.

 

ARSEEN

Dat arseen ook geacht wordt een essentieel sporenelement te zijn zal de schrijvers van misdaadromans wellicht vreemd in de oren klinken. Hei illustreert opnieuw dat de af­stand tussen voedzaam en giftig gering kan zijn. Arseen is onder andere toegepast om een optima­le groei van varkens en pluimvee te be­werkstelligen.

Aangetoond is dat ratten op een arseenarm rantsoen groeivertraging vertonen. Daar­naast ging de voortplanting problemen vertonen.

 


EET GEVARIEERD EN TOB NIET   13 vervolg mineralen en sporenelementen

 

TIN

Tin is mogelijk belangrijk voor de structuur van eiwitten en andere grote moleculen. Hiernaast kan tin als katalysator een rol spelen.

Een tekort aan tin leidt tot vertraging in de groei.

 

VOOR IEDERE KWAAL?

De (individuele) minimumbehoefte van onder andere sporenelementen kan worden gedefinieerd als de kleinste hoeveelheid die moet wor­den opgenomen  om gebreksver­schijnselen te voorkomen en de sporenele­mentenbalans te handhaven,

 

Voor het bepalen van de balans, dit is het ver­schil tussen inneming en uitscheiding van een element, als maat voor de behoefte is het van belang te weten op welke wijze de huishouding in het lichaam geregeld wordt.

 

Daar de uitscheiding via de uitwerpselen meestal zeer gering is en daardoor analy­tisch niet altijd eenvoudig is vast te stellen, is de bepaling van de balans niet goed mo­gelijk. Bovendien is het resultaat van ba­lansstudies in feite het vaststellen van de behoefte om de bestaande voorraad te handhaven.

Nog veel ingewikkelder is het aan te geven wat de optimale lichaamsvoorraad van deze elementen dient te zijn. Voor een deel komt dit doordat de meeste elementen in verschillende enzymsystemen tegelijk werkzaam zijn waardoor de vraag wordt

welk enzym de lichaamsvoorraad het best weerspiegelt.

Gebrekverschijnselen bij dieren zijn voor de diverse sporenelementen verschillend, hoewel veelal groeivertraging als waar­schijnlijk niet specifiek verschijnsel wordt beschreven.

Om het algemeen belang van mineralen en sporenelementen onder ieders aandacht te houden is de populaire kreet 'Voor elke kwaal een mineraal' een goed gedach­testeuntje. De inhoud ervan mag echter niet uitnodigen tot overdrijving.

 

MINERAALBEHOEFTE

Al met al is het zeer moeilijk de minimale behoeften aan bovenstaande mineralen te bepalen. Enerzijds verschilt de behoefte van individu tot individu en anderzijds wisselen de hoeveelheden die met het voedsel worden opgenomen naarmate het dieet en de aard van het verstrekte product.

Zo is fosfor uit granen minder opneembaar dan fosfor uit beendermeel. Verder moet de verhouding calcium/fosfor liggen op ongeveer 2:1. De rol van vitamine D is reeds aan­gegeven.

Overdrijven is niet van gevaar ontbloot; het wankele evenwicht kan verstoord worden. Als men bijvoorbeeld heel veel vitamine C gebruikt, komt men in de knel met koper en selenium.

De behoeften aan mineralen zijn voor vogels zijn nooit exact vastgesteld.

 

POTJES GEEN LUXE

De voeding is de voornaamste bron voor de inneming van mineralen en sporenelemen­ten.

Mineralen komen zeer verspreid voor in de voedingsmiddelen. Het normale voeder van vogels, de zaden, granen en peulvruchten, is arm aan calcium; fosfor bevatten ze doorgaans wél vol-

doende. Echter deze fosfor is voor het merendeel phytinefosfor, dat wil zeggen organische fosfor waarvan de opname gering is.

In principe kan men zeggen dat een over­matige opname van mineralen en sporenelementen nadeliger is voor de vogels dan een tekort.

Oude vogels zijn meestal slechtere benut­ters van mineralen dan jonge.

Diarree, watertekort en een ongunstige samenstel-ling van het mineraalmengsel beïn­vloeden het opnamevermogen ongunstig. Daarom is het van belang de dieren steeds een zo gevarieerd mogelijke voeding te geven waarmee op de eenvoudigste wijze de natuur wordt nagebootst.

 

Liefhebbers die op de hoogte zijn van de levensvitale rol die mineralen in het lichaam spelen, zullen vaker controleren of de pot­jes nog gevuld of vers zijn.

 

Wordt vervolgd                                    A.COOLEN