Molybdeen is in
enkele enzymen terug te vinden. Hiernaast is het betrokken bij de
koperstofwisseling en mogelijk ook bij de ijzerhuishouding.
Voor de veehouderij
is de bekendheid en betekenis groter dan voor de mens. Vee dat op een
molybdeenrijke weide graast, vertoont vaak kopergebrek door de toxische
werking van molybdeen. Dit geeft aan - en dat geldt ook voor andere
sporenelementen - dat het grensgebied tussen essentieel en giftig vaak erg
smal is. De behoefte eraan is echter gering.
Bij vogels is
molybdeen betrokken bij de vorming van urinezuur. Een teveel aan molybdeen
leidt tot vergiftiging, een tekort tot groeivertraging.
Jodium wordt als
jodide via de voeding op genomen, al snel in het spijsverteringsstelsel
geresorbeerd, in de schildklier geconcentreerd en daar in enkele uren tot de
schildklierhormonen thyroxide en trijoodthyronine omgezet.
Beide hormonen zijn
noodzakelijk voor een normale groei, de ontwikkeling van het zenuwstelsel, de
zenuwgeleiding en andere metabole functies. Aan een eiwitmolecuul gebonden
worden deze hormonen in de schildklier opgeslagen totdat ze als zodanig nodig
zijn.
Ongeveer eenderde van
het in de afgebroken hormonen aanwezige jodium wordt bij de synthese van nieuwe
hormonen hergebruikt.
Bij een overmaat aan
jodium wordt het overtollige gedeelte met behulp van de nier uitgescheiden.
Een te geringe jodiumopname leidt tot een vergroting van de schildklier en
veroorzaakt vetzucht bij volièrevogels. Een tekort verslechtert de uitkipping
en verlengt de broedtijd.
Pas in 1967 werd
aangetoond dat dit element voor mens en dier essentieel is; eerder was
toxiciteit bekend bij inname van grotere hoeveelheden. Chemisch lijkt selenium
veel op zwavel. Beide elementen komen in gebonden vorm voor in aminozuren.
Selenium komt in het
lichaam voornamelijk voor in de lever, de pancreas, in bloed en in de nieren.
Behalve haar nut in enkele enzymen kan het tevens een rol spelen bij het
binden van zware metalen, zoals lood, cadmium en kwik. De giftigheid hiervan
wordt hierdoor sterk verminderd.
Een tekort aan
selenium leidt tot groeivertraging en verminderde vruchtbaarheid.
Fluor is het meest bekend als middel tegen tandbederf. Er zijn aanwijzingen dat fluor ook een beschermende factor is bij allerlei vormen van botontkalking. Algemeen kan worden aangegeven dat fluor belangrijk is voor een normale ontwikkeling van het skelet.
De geringe
hoeveelheid nikkel is in het Iichaam over alle organen gelijkelijk verdeeld.
Het activeert enkele enzymen.
Nikkel speet mogelijk
een rol bij de vetstofwisseling. Tevens zijn er aanwijzingen dat nikkel
betrokken is bij de regulering van de ijzerabsorptie.
Bij een tekort aan
nikkel krijgt men problemen met de groei, een bloedarmoede en de
voortplanting.
Voor vanadium is
aannemelijk gemaakt dat het betrokken is bijj de vetstofwisseling en de
cholesterolsynthese. Veelbelovend lijkt de rol die vanadium speelt bil de
regulering van de Na/K-verhouding in de intra- en intercellulaire vloeistof.
Een tekort aan
vanadium uit zich in een vertraagde groei en een gebrekkige voortplanting.
Silicium is
belangrijk voor de vorming van bind-weefsel Bil kippen is aangetoond dat
silicium essentieel is voor een normale groei
en optimale botmineralisatie. Het kan eet fundamentele rol spelen in de
vroege stadia van het botvormings-proces. Een tekort openbaart zich in
groeivertraging en botafwijkingen.
Dat arseen ook geacht
wordt een essentieel sporenelement te zijn zal de schrijvers van misdaadromans
wellicht vreemd in de oren klinken. Hei illustreert opnieuw dat de afstand
tussen voedzaam en giftig gering kan zijn. Arseen is onder andere toegepast om
een optimale groei van varkens en pluimvee te bewerkstelligen.
Aangetoond is dat
ratten op een arseenarm rantsoen groeivertraging vertonen. Daarnaast ging de
voortplanting problemen vertonen.
Tin is mogelijk
belangrijk voor de structuur van eiwitten en andere grote moleculen. Hiernaast
kan tin als katalysator een rol spelen.
Een tekort aan tin
leidt tot vertraging in de groei.
De (individuele)
minimumbehoefte van onder andere sporenelementen kan worden gedefinieerd als de
kleinste hoeveelheid die moet worden opgenomen om gebreksverschijnselen te voorkomen en de sporenelementenbalans
te handhaven,
Voor het bepalen van
de balans, dit is het verschil tussen inneming en uitscheiding van een
element, als maat voor de behoefte is het van belang te weten op welke wijze de
huishouding in het lichaam geregeld wordt.
Daar de uitscheiding
via de uitwerpselen meestal zeer gering is en daardoor analytisch niet altijd
eenvoudig is vast te stellen, is de bepaling van de balans niet goed mogelijk.
Bovendien is het resultaat van balansstudies in feite het vaststellen van de
behoefte om de bestaande voorraad te handhaven.
Nog veel
ingewikkelder is het aan te geven wat de optimale lichaamsvoorraad van deze
elementen dient te zijn. Voor een deel komt dit doordat de meeste elementen in
verschillende enzymsystemen tegelijk werkzaam zijn waardoor de vraag wordt
welk enzym de
lichaamsvoorraad het best weerspiegelt.
Gebrekverschijnselen
bij dieren zijn voor de diverse sporenelementen verschillend, hoewel veelal
groeivertraging als waarschijnlijk niet specifiek verschijnsel wordt
beschreven.
Om het algemeen
belang van mineralen en sporenelementen onder ieders aandacht te houden is de
populaire kreet 'Voor elke kwaal een mineraal' een goed gedachtesteuntje. De
inhoud ervan mag echter niet uitnodigen tot overdrijving.
Al met al is het zeer
moeilijk de minimale behoeften aan bovenstaande mineralen te bepalen. Enerzijds
verschilt de behoefte van individu tot individu en anderzijds wisselen de
hoeveelheden die met het voedsel worden opgenomen naarmate het dieet en de aard
van het verstrekte product.
Zo is fosfor uit
granen minder opneembaar dan fosfor uit beendermeel. Verder moet de verhouding
calcium/fosfor liggen op ongeveer 2:1. De rol van vitamine D is reeds aangegeven.
Overdrijven is niet
van gevaar ontbloot; het wankele evenwicht kan verstoord worden. Als men
bijvoorbeeld heel veel vitamine C gebruikt, komt men in de knel met koper en
selenium.
De behoeften aan
mineralen zijn voor vogels zijn nooit exact vastgesteld.
De voeding is de
voornaamste bron voor de inneming van mineralen en sporenelementen.
Mineralen komen zeer
verspreid voor in de voedingsmiddelen. Het normale voeder van vogels, de zaden,
granen en peulvruchten, is arm aan calcium; fosfor bevatten ze doorgaans wél
vol-
doende. Echter deze
fosfor is voor het merendeel phytinefosfor, dat wil zeggen organische fosfor
waarvan de opname gering is.
In principe kan men
zeggen dat een overmatige opname van mineralen en sporenelementen nadeliger is
voor de vogels dan een tekort.
Oude vogels zijn
meestal slechtere benutters van mineralen dan jonge.
Diarree, watertekort
en een ongunstige samenstel-ling van het mineraalmengsel beïnvloeden het
opnamevermogen ongunstig. Daarom is het van belang de dieren steeds een zo
gevarieerd mogelijke voeding te geven waarmee op de eenvoudigste wijze de
natuur wordt nagebootst.
Liefhebbers die op de
hoogte zijn van de levensvitale rol die mineralen in het lichaam spelen, zullen
vaker controleren of de potjes nog gevuld of vers zijn.
Wordt vervolgd A.COOLEN