AFRIKAANSE ASTRILDEN

van het geslacht Uraeginthus

 

Inleiding

Het geslacht Uraeginthus omvat een vijftal soorten welke in een vijftal artikelen aan u worden voorgesteld. Per soort komen ook een aantal ondersoorten voor. Deze Afrikaanse astrilden behoren tot de mooiste, echter beslist niet tot de gemakkelijkst te houden vogels. Vandaar dat dit artikel is opgesplitst om zo ruim mogelijk aandacht te besteden aan dit vijftal juweeltjes uit Afrika. Tot het geslacht Uraeginthus behoren: granaatastrilde, purpergranaatastrilde, blauwfazantje, blauwkop blauwfazantje en het Angola blauwfazantje.

 

Naast de soortbeschrijving, hun biotoop en hun geografische ondersoorten zal ook aandacht worden geschonken aan de voeding, huisvesting en kweekervaringen met deze soorten astrilden.

 

Vooral de laatste jaren mogen deze vogels zich in toenemende mate in de belangstelling van de exotenkwekers verheugen. Serieuze pogingen werden en worden ondernomen om tot kweekresultaten te geraken, en gezien het toenemende aantal eigen kweek op de shows, met succes. Achter deze eigen gekweekte vogels staat een vogelkweker, en zeer zeker iemand met veel geduld, die zich veel moeite en opoffering heeft moeten getroosten om tot dit succes te kunnen komen. Mogelijk kan deze serie van artikelen er mede toe bijdragen dat het aantal eigen kweek nog verder toeneemt. Om u hierbij behulpzaam te zijn werden de kweekervaringen hierin verwerkt. Mocht u als lezer besluiten om ook met deze vogsels te gaan kweken, dan zullen ook u teleurstellingen niet bespaard blijven.

Maar bedenk wel, de volhouders onder ons zullen voor de voortplanting van deze soorten zorgdragen. Een facet in onze liefhebberij dat van enorm belang zal blijken te zijn in de zeer nabije toekomst, willen wij deze “Afrikaanse juweeltjes” voor onze volières behouden.

Dit artikel kan slechts een hulpmiddel zijn om het gestelde doel te bereiken, echter voor deze vogels is het van levensbelang.

Het uitwisselen van ervaringen zal er mede toe bijdragen de volgende soorten in stand te houden.

 

DE GRANAATASTRILDE

 

Herkomst

Een van de fraaiste in Afrika voorkomende prachtvinken is de granaatastrilde. Naast de nominaatvorm, Uraeginthus granatina granatina, welke voorkomt in Zuid Angola en Natal, zijn er nog een tweetal ondersoorten bekend, te weten:

Uraeginthus granatina siccata, welke voorkomt in West Angola en de Kaap Provincie, en Uraeginthus granatina retusa, in Rhodesië en een klein gebied in Mozambique. Deze twee ondersoorten verschillen echter maar weinig van de nominaatvorm. De verschillen bestaan hoofdzakelijk uit een wat mattere tint en een minder uitgebreide koptekeing bij zowel de mannen als de poppen van deze ondersoorten.

Men kan dus stellen dat wij hier te maken hebben met een soort welke alleen enige geografische verschillen te zien geeft. Het mag duidelijk zijn dat ten gevolge van deze geografische verschillen soms wel eens verschil bestaat ten aanzien van de grootte van deze vogels.

 

Biotoop

Granaatastrilden bewonen de droge steppen met doornstruiken, maar ook wel streken, waar deze struiken aan de rivieren grenzen en zelfs aan de randen van cultuurgrond groeien. Ze leven hier in kleine groepen bij elkaar, soms samen met Angola blauwfazantjes of met Melba astrilden.

 

Hun voedsel bestaat uit verschillende soorten zaden, vooral diverse soorten graszaden, en ook vele verschillende insecten. Broeden doen ze meestal in de doornstruiken waar ze op een hoogte, die varieert van één tot twee meter, een nest bouwen van grashalmen dat bekleed wordt met pluis en veren.

Het nest is kogelvormig en wordt door de pop gebouwd, waarbij de man de bouwmaterialen aandraagt. Het legsel bestaat uit drie totr vijf witte eitjes die gedurende vijftien dagen worden bebroed zowel door de man als de pop.

 

De ingang van het nest wordt vaak met een veertje afgesloten. Steeds wanneer de man het broedende popje aflost brengt hij een nieuw veertje mee naar binnen. ‘s Nachts bevindt alleen het popje zich op het nest en de man overnacht dan in de nabijheid in de dichte struiken.

 

Hun broedperiode valt in Afrika tegen het einde van de regentijd. Dit is dus aan het begin van de droge periode. In deze tijd zijn er meer dan voldoende insecten aanwezig, een voorwaarde om hun jongen groot te brengen.

 

De koningswida (Tetranura paradisea) pleegt broedparasitisme bij de granaatastrilden. De pop van deze widasoort legt een of soms ook wel meerdere eitjes in het nest van de granaatastrilde, die ze tezamen met de eigen eieren uitbroeden. De jongen van de koningswida lijken volledig, ook wat hun gedrag betreft, op de jonge granaatastrilden. Alleen het formaat: de jonge koningswida is namelijk wat forser.

 

Soortbeschrijving

De man van de granaatastrilde is afgebeeld op de kleurplaat bij dit artikel en de rijke kleurenpracht komt hier volledig tot zijn recht.

Bij de pop is het blauw van de koptekening en van de bovenstaartdekveren veel matter van kleur en bovendien mist zij de zwarte kinvlek. Het rug- en vleugeldek zijn reebruin van kleur, de borst-, buik- en flankbevedering zijn kaneelbruin. De foto’s geven deze verschillen duidelijk aan, zodat een verdere beschrijving achterwege gelaten kan worden. Alleen dient te worden vermeld dat de man forser gebouwd is dan het popje. De jongen van de granaatastrilde lijken, bij het verlaten van het nest op een leeftijd van ongeveeer vijf weken, overwegend op het popje. Ongeveer vijf weken na het uitvliegen begint de jeugdrui en deze in na ongeveer vijf maanden voltooid. De jonge mannen zijn echter bij het begin van de jeugdrui al wel te herkennen, vaak aan hun zeer ijverige zangstudie.

 

Acclimatisatie

Pas ingevoerde granaatastrilden moeten met veel zorg worden geacclimatiseerd. Ze hebben grote behoefte aan wamrte en zijn vooral erg gevoelig voor vocht en koude. Het beste kunnen ze dan ook worden ongdergebracht in een ruime kooi waarin de temperatuur beslist niet onder de 20° Celsius mag komen.

Hun voedsel dient dan vooral te bestaan uit een grote verscheidenheid aan diverse soorten zaden en levend voer. Grit en kalk, in de vorm van gedroogde eierschaal, dienen op de bodem te worden uitgestrooid daar ze vooral in het begin veel opnemen van de bodem. Regelmatig schoonmaken en verversen is een eerste vereiste wil men deze vogels in een goede conditie krijgen en houden.

 

Aan het meerdere malen baden per dag zal men merken dat de vogels zich goed voelen, ook hier is hygiëne een “must”, en dus is meerdere malen verversen van het water noodzakelijk. Eigenlijk is het overbodig om te zeggen dat pas ingevoerde granaten het eerste jaar niet voor de kweek dienen te worden ingeschakeld. Een goede acclimatisatieperiode duurt al gauw drie tot vier maanden.

Gun de vogels alle tijd en gelegenheid om te gewennen, later kunt u hier alleen maar voordeel bij hebben wanneer zij mochten besluiten om tot voortplanting van hun soort, in gevangenschap, over te gaan.

 

De voeding

Het voedsel dient te bestaan uit een goed mengsel van zaden voor kleine exoten, aangevuld met diverse soorten gras- en onkruidzaden, zo mogelijk in halfrijpe toestand, en enige aren trosgierst. Ei-, opfok- en insectenvoer dienen ook op het menu te staan, zo  mogelijk vermengd met levend voedsel in de vorm van mierenpoppen, fruitvliegjes, bladluizen, muggenlarven en watervlooien.

Uit deze opsomming van voedsel mag blijken dat de granaatastrilde een vogeltje is voor de meer ervaren exotenkweker. Voor de beginners is het toch raadzaam om met meer eenvoudige, maar daarom niet minder mooie soorten te trachten enige ervaring op te doen. Een gedegen kennis is zeker noodzakelijk om granaatastrilden te kunnen houden en zeker om er mee te kweken. Het moge duidelijk zijn dat de voeding hierin een zeer belangrijke rol speelt.

 

Kweekervaring

uit het voorgaande mag blijken dat het kweken niet al te gladjes zal verlopen en zo is het ook mij vergaan.

Alvorens ik u mijn relaas vertel is het belangrijk om te weten dat men deze vogels alleen maar paarsgewijs, en bij voorkeur alleen in een vluchtje, dient te houden.

Meerdere paartjes geven alleen maar onderling zeer hevige vechtpartijen die vaak doorgaan tot een of meerdere van deze vogels vaak zeer gehavend, of zelfs dodelijk, uit de strijd te voorschijn komen. Vooral de mannen kunnen enorm agressief van aard zijn, vooral wanneer ze in broedconditie komen te verkeren. Waakzaamheid is dus geboden.

 

In 1980 kocht ik bij een vogelimporteur een koppel granaataastrilden die de acclimatisatieperiode goed doorstonden in mijn verwarmde kweekruimte.

Door verschillende liefhebbers werd ik er op gewezen om bij aanvang van de kweek de agressiviteit van de man goed in de gaten te houden. In het voorjaar van 1981 werden beiden in een vluchtje van 1x1x1 meter geplaatst waarin enige nabootding van de vrije natuur, in de vorm van aangebrachte sparentakken, was aangebracht. Een drietal verschillende nestkastjes waren opgehangen om hun nieuwe domicilie compleet te maken. Buiten verwachting werd na ongeveer twee weken een half open nestkastje uitgekozen voor de nestbouw. Dit kastje was gedeeltelijk verscholen tussen het groen aangebracht. Toen beging ik ook, naar later bleek, mijn eerste fout. Het verstrekken van levend voer, in de vorm van mierenpoppen en fruitvliegjes, werd opgevoerd om de vogels optimaal gereed te kijgen wanneer er eventueel eens eieren of jongen mochten komen.

 

De nestbouw verliep voorspoedig en de verstrekte materialen zoals gedoogde grashsalmen en kokosvezel werden tot een mooi nestje verwerkt waarbij ook steeds enige veertjes werden meegenomen in het nest. Toen kwam de eerste teleurstelling: op een morgen kwam ik in de kweekruimte en vond de pop dood op de bodem van het vluchtje. De gehele kop vol bloed en geheel open gehaald. Voor mij was het meteen duidelijk: de man had zijn overmatige broeddrift botgevierd op zijn metgezellin. Gelukkig wist ik een liefhebber die nog een eigen kweek popje over had en we besloten samen om het nogmaals te proberen. Over de prijs waren we het snel eens, namelijk bij nakweek de jongen samen delen.

In overleg met deze kweker werd besloten om de man uit het vluchtje te verwijderen. Daarna de man er weer bij plaatsen en de zaak nauwlettend in de gaten houden. Het verstrekken van levend voer werd tot een minimum beperkt. Wonderwel gelukte deze manier van “koppelen” en spoedig werd met de nestbouw begonnen en het eerste ei gelegd. De vier eitjes werden afwisselend door beiden bebroed waarbij de man meestal overdag en de pop ‘s nachts op het nest zat.

Toen ik verwachtte dat er jongen  moesten zijn, drie eitjes waren namelijk bevrucht, werd hun portie levend voer opgevoerd. Dit werd streeds vermengd door het opfokvoer en gretig door beiden opgenomen. Het was toen eind juni en aan halfrijpe gras- en onkruidzaden was er dus geen gebrek. Dit werd in een bundeltje opgehangen en gretig door beide oudervogels bezocht. Nestcontrole werd achterwege gelaten daar aan de gedragingen wel te zien was dat er jongen moesten zijn.

 

Op een avond waren beide oudervogels van het nest en werd voorzcihtig gekeken en jawel hoor, drie zwarte jongen met volle kropjes lagen in het nest.Ze leken mij een dag of vier oud. Op de zevende dag werden ze geringd met een 2.5 mm ringetje, nadat dit eerst was voorzien van een ventielslangetje, hetgeen probleemloos verliep.

De oudervogels bevonden zich toen ‘s avonds niet meer op het nest, maar gelukkig was het hartje zomer zodat dit geen nadelige gevolgen heeft gehad.

Het probleem bij de granaatastrilde blijkt steeds weer te zijn dat de oude vogels in een vroeg stadium de jongen niet meer verwarmen en deze dan door onderkoeling omkomen. De collega vogelliefhebber van wie ik het popje bekwam loste dit probleem op met behulp van een zogeheten donkerstraler die in de onmiddellijke nabijheid van het nest was aangebracht. Uiteraard geschiedde dit zodra hij zag dat er met nestbouw begonnen werd.

Na twintig dagen verlieten mijn drie jongen het nest en keerden daarin de eerste week steeds terug. Ze leken erg veel op het popje en alleen het zwarte snaveltje was een duidelijk waarneembaar verschil. De algehele lichaamskleur was van een wat mattere tint.

Om eventuele ongelukken, vanwege het agressieve gedrag van de man, te voorkomen, werd deze uitgevangen toen de jonge vogels ongeveer zes weken oud waren. De jeugdrui verliep zonder veel problemen en toen de jongen vier maanden oud waren bleek ik twee mannen en een popje van de granaatastrilde rijker te zijn. Bovendien was ik een kweekervaring rijker geworden en die wilde ik u bij mijn verhaal over de granaatastrilde beslist niet onthouden.

 

                                               Frans Kreijveld