BLAUWFAZANTJE
Herkomst
Van de vogels behorende tot het geslacht Uraeginthus is het Blauwfazantje zeer zeker het meest bekend. Dit 12 cm grote vogeltje komt in verschillende ondersoorten en verspreidingsgebieden voor.
De nominaatvorm; Uraeginthus bengalus bengalus komt voor in het westen, noorden, oosten van geheel centraal Afrika. Daarnaast zijn er een viertal ondersoorten, te weten Uraeginthus b. brunneigularis in centraal Kenia, Uraeginthus b. littoralis in Oost Kenia en Tanzania, Uraeginthus b. ugogoensis in Noord en West Tanzania en Uraeginthus b. katangae welke voorkomt in het zuiden van Zaïre en Zambia. Man en pop zijn duidelijk te onderkennen echter wel wanneer zij op volle kleur zijn. Het popje heeft een over het geheel wat mattere kleur blauw en deze blauwe kleur is ook niet zo uitgebreid als bij de man. Bovendien mist het popje de rode wangvlekken. Jonge blauwfazantjes hebben nog minder blauw en zijn overwegend bruinachtig getint.
Biotoop
Ze leven in de savannen welke met doornaccacia’s zijn begroeid, maar ook in droge savannegebieden, echter wel in de omgeving waarvan water te vinden is. Ook komen ze voor in velden waar veel onkruiden groeien en in bergachtige streken tot op een hoogte van soms wel 2400 meter.
Om aan het nodige voedsel te komen verblijven ze veel op de grond op zoek naar zaadjes en insecten, vooral termieten. De nesten zijn na de regentijd en in het begin van de droge periode te vinden in de doornachtige struiken, op een hoogte van 1 tot 4 meter boven de grond. Van grashalmen en pluimen wordt een vrij slordig nest gebouwd van binnen bekleed met wat veertjes. Het mannetje zorgt voor het benodigde materiaal en het popje verwerkt dat. In een tot twee dagen is hun nestje geheel gereed. De vier tot zes witte eitjes worden in hoofdzaak door het popje bebroed. Na ongeveer 5 weken vliegen de jongen uit en worden dan nog enige tijd, in afnemende mate, door de oudervogels gevoerd. Overnachten doen ze steeds in de struiken. Buiten de broedperiode verblijven ze in grote groepen bijeen.
Acclimatisatie en voeding
Pas geïmporteerde blauwfazantjes dienen in grote lijnen dezelfde verzorging te krijgen als beschreven bij de Granaat- en de Purpergranaatastrilden. Eenmaal goed geacclimatiseerd zijn blauwfazantjes vrij sterke vogeltjes die bij een goede voeding en verzorging, in een matig verwarmde ruimte gedurende de gure wintermaanden, jarenlang in uitstekende conditie kunnen blijven. Het hoeft geen betoog dat met pas geïmporteerde vogeltjes nog niet gekweekt is.
Wel is het raadzaam om, mocht U besluiten om met blauwfazantjes te gaan kweken, twee tot vijf paartjes aan te schaffen zodat ze zelf hun partner kunnen uitzoeken. Dit verdient veruit de voorkeur en zal de kans op succes aanmerkelijk vergroten. Hebben zich paartjes gevormd na1verloop van tijd, dan is het raadzaam om hiermede koppelgewijs, in een aparte volière of ruime broedkooi, trachten de vogeltjes tot voortplanting aan te sporen. Bedenk echter wel dat U met Afrikaanse astrilden te maken hebt waarbij het soms bijna vanzelf gaat en de volgende keer alles mislukt ondanks Uw goede zorgen aan hen besteed.
Verder is het nog van belang om te weten dat blauwfazantjes paartjes vormen voor het leven. Mocht door wat voor oorzaak dan ook, een van de twee doodgaan dan zal het geruime tijd, soms wel meer dan een jaar, duren voordat een nieuwe partner wordt aanvaard.
Broeden blauwfazantjes wel?
Verwacht hier nu eens niet een kweekverslag, mogelijk kunt U lezer en dan zeker de kweker eens in de pen klimmen voor een aansluitend verhaal, maar een korte uiteenzetting van punten die van belang zijn voor een succesvolle kweek. Een veel gehoorde klacht is dat ze het bij anderen wel doen en bij ons niet. Hoe komt dat nou?
Wel, om te beginnen zal iedere vogel in de volière kunnen broeden we moeten dan echter wel voldoen aan de nodige eisen. Om te beginnen moet het juiste voer aanwezig zijn (insecten) en het goede nestmateriaal. Een vogeltje dat in de vrije natuur altijd bijvoorbeeld grashalmen gebruikt zal in onze kooi geen genoegen nemen met wat uitgeplozen touw of wat dan ook. Verder kunnen we nog denken aan de nodige ruimte, die voor iedere soort verschillend is, de beplanting en niet te vergeten de eventuele medebewoners die soms ook lastig kunnen zijn en mogelijk de kweek verstoren. U ziet wel, een korte lijst, maar een vogel die het niet naar zijn of haar zin heeft zal er niet aan denken om te gaan broeden. Veel drukker zullen ze dan zijn met het zoeken naar voedsel, ruzie maken of trachten een nest te bouwen op een plaats waar dat nou net niet kan. Overweeg deze puntjes eens indien U mocht besluiten om met blauwfazantjes te willen gaan kweken.
Mogelijk kunt U er naar handelen en Uw voordeel mee doen. En mocht het niet meteen lukken, wordt dan niet ongeduldig. Bedenk wel, geduld is een schone zaak, zeker voor kwekers van Afrikaanse astrildensoorten.
Frans Kreijveld