Ongetwijfeld vraagt U
zich nu af wat voor vogel dat nu kan zijn...een bastaardnachtegaal.. .. nooit
van gehoord. Bij een excursie heb ik nog wel eens de onhebbelijkheid te
antwoorden wanneer iemand dit vogeltje hoort zingen, om het antwoord 'Dit is
een bastaardnachtegaal” te geven.
Je wordt dan zeer
verwonderd aangekeken door soms zeer fervente vogelaars die dan denken dat het
in je bol geslagen is.
Zeg je nu dat het een
heggemus is, (Prunella moduiaris) dan breekt de spanning en vindt men het maar
heel gewoon.
De bovenstaande naam
is een oude betiteling van deze vogel in heel wat vogelboeken uit het verleden.
Pas later is de naam heggemus in zwang gekomen.
Niet erg, temeer daar
een heggemus wel, zeker wat het verenpakje
betreft, een zekere overeenkomst vertoont met dat van de huismus en de
ringmus. Toch is er een beduidend verschil. De heggemus is gelet op zijn lang
spitse snavel een insecteneter bij uitstek. Ook is de kopvorm spitser en zijn
de kop/kapkleuren anders. Het mannetje heeft in het broedseizoen een prachtig
donker grijsbiauw kapje. De donkere roodbruine oogjes en poten stelen daarbij
fel af. Bij het wijfje is het wat muisgrijzer. Tocb is het erg moeilijk om man
en vrouw uit eikaar te houden. Bij het ringwerk vang ik elk jaar tientallen heggemussen,
jong en oud. Wat Ieeftijd betreft is er wel onderscheid, maar tussen de sexen
is dat moeilijk. Heel vaak geeft de kleur van de mondhoeken uitsluitsel. Bij
het mannetje zijn deze donker, bij het zwarte af en bij het wijfje zijn deze
rossig. Toch is dit alleen te gebruiken in het hoogseizoen: het broedseizoen.
De rest van het jaar is en blijft het moeilijk al kan de lengte van de tube van
de anus en het al of niet aanwezig zijn van een kale buik met broedvlekken wel
een hulpmiddel zijn.
De zang van dit
vogeltie is echt bijzonder en al in januari kun je hem druk horen zingen. Vaak
zijn er meerdere mannetjes druk tegen eikaar aan het zingen om hun broederf af
te tekenen met zang.
In hun gedrag vind ik
dat ze wel wat weg hebben van muizen. Op de grond zijn het zeer beweeglijke
snelle schuivertjes. Ze houden zich bij voorkeur direct in de buurt van struiken op. Bij het minste of geringste
gevaar schuiven ze echt onder in de dekking. Verder dulden ze ook geen
soortgenoten op bun fourageerplek. Met snelle uitvallen met het spitse
snaveltje en wat vleugelgeklepper wordt de indringer verjaagd.
In de tijd dat ze op
vrijersvoeten zijn is het vermakelijk om de mannetjes bezig te zien, want vaak
overlappen de zangterritoria elkaar en leven wijfjes in meerdere broederfjes.
De vraag is gewettigd of de jongen in zo'n heggemussennest echt van één man
zijn. Veelmannerij komt bij deze vogelsoort vrij veel voor.
De bekende
ornitholoog David Attenborough vertelt hierover in zijn boek 'Over Vogeis' in
het hoofdstuk “Partnerkeuze” samengevat het volgende:
De omgeving waarin de
heggemussen leven bepaalt de relaties in het paren. ls er een groot
voedselaanbod dan kan het wijfje haar jongen goed grootbrengen. Een goed
ontwikkeld en sterk mannetje kan dan zelfs twee of drie wijfjes er op na
houden, die elk in zijn broederf een nest met jongen groot brengen. Levert het
territorium echter niet voldoende voedsel op, dan kan het wijfje geen voldoende
zorg aan de jongen besteden en heeft hulp nodig. Ze haalt dan mannetje twee
erbij. Haar eerste keuze, die het broederf destijds uitzette
blijft in deze zin
van de vogelwet haar wettige echtgenoot, met wie ze regelmatig en openlijk
paart. Het bijmannetje schikt zich daarnaar en houdt zich op de achtergrond.
Hij mag er zijn volgens nummer een, omdat hij meehelpt bij het voeren en wordt
ook als zodanig niet verjaagd. Maar mannetje twee profiteert wel van het
wijfje, want let man één niet goed op dan sluipen ze even met hun tweetjes weg
het bos verder in en paren bij het gezicht van man een. Maar man één past er
voor om ondergeschoven jongen in zijn nest te hebben. Hij houdt haar wel
vrijwel constant in de gaten. Toch lukt het niet altijd en daarom past hij nog
een andere methode toe..
Bij het voorspel aan
de paring van hem met het wijfje blijft hij haar steeds achtervolgen en
tenslotte rusten ze samen even uit naast elkaar op een tak of op de grond.
Lijkt alles er op dat het tot een paring gaat komen, dan drukt ze zich, duikt
in elkaar, wrijft met haar snavel over haar borstveren en schudt met haar
vleugelveren. Ondertussen draait het mannetje opgewonden om haar heen. Dan tilt
ze haar staart op en stulpt haar cloaca naar buiten, waardoor er een rossig
eilandje te zien wordt. Man nummer een pikt er vervolgens flink in. Dit
irriteert die cloaca zo, dat die nog iets meer gaat zwellen en een heel klein
druppeltje vocht te voorschijn komt. Hij bekijkt dit druppeltje uitgebreid en
aandachtig: sperma van de vorige paring.
Is het druppeltje
uiteindelijk op de grond gevallen, dan bevliegt hij haar en vindt de paring
plaats....!
Veelmannerij komt bij
vogels meer voor dan we aanvankelijk dachten. Een bekend voorbeeld is de
winterkoning. Die bouwt constant zijn bolvormige nestjes en houdt er soms wel
vier, vijf wijfjes op na.
We kunnen alleen maar
naar een grondgedachte gissen…. het gaat er om zoveel mogelijk wijfjes om je
heen te vergaren om op deze manier je eigenschappen aan zijn nakroost door te
geven….
Het kan verkeren!
Is in zomer en winter
aanwezig: standvogel; vrij talrijke broedvogel in parken en rond boerderijen en
Iandgoederen.
Een vogel, die zich
vrij snel aanpast in nieuwbouwwijken met veel groen. Echt een grondvogel,
“sluipt als het ware” Zeer schuw en beweeglijk. Het nest is vrij stevig en
komvormig, bestaande uit worteltjes van planten, gedroogde grasstengels, soms
wat mos. Het wordt gevoerd met pluizig materiaal zoals soms soms hondenhaar.
Het legsel bestaat
uit 4-5 helder blauwe eitjes. De jongen Iijken “spinnenkopachtig” met veel lang
zwart dons. Bij het sperren valt de diep oranje rode kleur op en de twee zwarte
puntjes op de tong als indicatie voor de ouders waar het voer naar toe moet. In
het jeugdkleed zijn de jongen grijzig gestreept. De zang: een melodieus
kwinkelend, wat metaalachtig liedje dat voortdurend wordt herhaald.
G.Frank