GALAPAGOS- of DARWINVINKEN

 

In mijn artikel over de afstamming van vogels heb ik reeds wat verteld over deze vogels die voor Charles Darwin zo interessant waren dat een deel van zijn evolutietheorie terug te voeren is op deze vogels.

Deze vinkensoort, een dikbekkensoort, hoort tot een onderfamilie van de gorzen.

In ons land vinden we daar ook een paar vertegenwoordigers van. Vrij regelmatig krijg ik bij het vogelringen de rietgors in handen. Een vrij stevige vogel, overwegend licht en donkerbruin gestreept, waarbij het mannetje in de zomer een zwarte bovenkop en een wittige halsring heeft. Rietvinken hebben de beschikking over een flinke, kegelvormige snavel die ze goed weten te gebruiken, ook wanneer je ze in de hand hebt. Ze leven overwegend van zaden. ln de zomertijd bij het voeren van de jongen vangen ze ook insecten. De zang stelt niet veel voor: het is een afdeunend wijsje.

 

Verder kennen we in ons land de geelgors. Een vogel van onze meer zandige streken met bossen en veel opgaand hout. Ook deze vogel heb ik vele malen tijdens mijn vakanties aan de rand van de Veluwe gevangen,  wanneer er in de buurt van ons zomerverblijf geelgorzen aanwezig waren. In voorjaar en zomer kun je ze gemakkelijk lokaliseren omdat het mannetje ook zo'n afdeunend wijsje als de rietgors heeft en dat steeds ten gehore brengt. Zittend boven in het topje van een flinke boom. De geelgors was al jaren lang een kooivogel, samen met sijs, kneu, groenling, putter en vink. Je trof ze echter maar sporadisch aan op wedstrijden en tentoonstellingen. Het is een nogal schuwe en wilde vogel. Dit kan de oorzaak zijn, dat er niet zoveel gehouden werden. lnmiddels is daar enige verandering in gekomen door gerichte kweek binnen de groep wildzangkwekers, beter gezegd: houders van cultuurvogels. Je zie je ze nu wel wat vaker. Ook zijn er inmiddels mutanten ontstaan die de kleurkweek binnen deze vogelsoort stimuleren.

 

Afwijkende kleuren

In het afgelopen zomerseizoen ving ik van de rietgorzen ook een aantal jonge vogels die in hun verenkleed geen donkerbruin aanwezig hadden. Deze mutanten waren de nakomelingen van een rietgors vrouwtje dat we in 1998 regelmatig gevangen hebben en in het voorjaar weer in ons ringgebied tot broeden overging.

Verder kennen we in ons land de grauwe gors. Deze laat een klingelend liedje horen (rinkelende sleutelbos) en broedt onder andere in een uiterwaard bij ons in de buurt. Op de trek komen verder wel de sneeuwgors, ijsgors, bosgors en de dwerggors naar onze omgeving. Dit zijn echter soorten die meer aan de Noordzeekust doortrekken, en welke ik maar sporadisch in handen krijg.

 

Galapagosvinken

Een gorzenondersoort dus. Ze vervulden in de natuurlijke historie een heel belangrijke rol omdat via deze vogels duidelijk werd, hoe het met het ontstaan van soorten binnen de vogels in zijn werk gegaan kan zijn.

De op de verschillende eilanden voorkomende soorten vertoonden volgens onderzoeker Darwin in verenkleed, voorkomen en houding veel overeenkomst. Maar de snavelvorm was afwijkend in verband met de soort voedsel. Vermoedelijk destijds noodgedwongen door veranderingen in de leefomgeving die deze vinken werd opgedrongen. Om in leven te blijven pasten zich in een heel lang tijdsverloop de vogel in eet- en leefgewoontes aan.

 

Eén of meer?

Alle Darwinsoorten stammen vermoedelijk af van een of meer gorzensoorten, die in Zuid-of Midden Amerika leven en op de een of andere manier, eeuwen geleden, op de geïsoleerd liggende eilanden terecht gekomen zijn. Andere vogelsoorten tref je er vrijwel niet aan. Op een spotlijster na.

De Darwinvinken kregen dus alle vrijheid met het in bezit nemen van die eilanden en pasten zich op ingenieuze wijze aan aan het ter plaatse voorradige voedsel. Hierbij traden op den duur verschillen op in de snavelvorm. Bij erfelijkheidsonderzoek kwam echter naar voren dat ze inwendig vrijwel volledig op elkaar lijken en dus een gezamenlijke voorouder gehad dienden te hebben. De geïsoleerde ligging zorgde voor een natuurlijke selectie. Verder doet zich hier iets heel verwonderlijks voor.

 

Kropvoedering

Zaadeters voeren hun jongen rechtstreeks uit de krop. Opmerkelijk echter is dat dit ook het geval is bij de insectenetende Darwinvinken. Normaal voeren insecteneters hun jongen namelijk rechtstreeks met insecten via hun bek!

Er zijn voorts grote verschillen in bouw van de snavel te constateren en verder ook in schedelvorm, de grootte van de maag en de spieren van kop en staart. Ook de tong is anders gebouwd.

Uitgebreid onderzoek in het gehele gebied van die eilanden leverde een bijzonder resultaat op.
Er bleken zes geslachten te zijn die in grootte van elkaar verschilden. Deze zes geslachten zijn verdeeld in 14 soorten.

Het zou te ver voeren om al die geslachten uitgebreid te gaan beschrijven, maar ze hebben allemaal wel een naam. Een paar wil ik noemen en er wat meer over vertellen.

De bekendste zijn de grondvinken, waarvan zes ondersoorten aanwezig zijn. Verder heb je de plantenetende boomvink. Deze heeft de langste darm van alle Darwinvinken en heeft bovendien een snavel die sterk op die van een goudvink lijkt. Het is een vruchteneter. Het derde geslacht vormt de papegaaisnavelvink of boomvink. Hiervan kennen we drie soorten.

Vervolgens komen we bij de spechtvinken in twee soorten,waarvan een de naam mangrovenvink heeft gekregen. Het vijfde geslacht wordt gevormd door het insectenvinkje; echt een insecteneter met zijn lange priemsnaveltje. Het zesde en laatste geslacht wordt gevormd door het cocosvinkje dat alleen op het Cocoseiland voorkomt. Een eiland dat solitair 600 km (!) van de Galapagoseilanden ligt. In het algemeen blijkt dat al deze vinkensoorten geen al te beste vliegers zijn. Ze vliegen wat onbeholpen, met uitzondering van het insectenvinkje. Begrijpelijk dat dit een bijzonder wendbaar vinkje moet zijn om dat het anders moeilijk aan zijn kostje kan komen bij het vangen van bijzonder snelle insecten.

 

Regentijd-broedtijd

Het broedseizoen voor vrijwel alle soorten ligt in de regentijd: januari tot mei. De grondvinken verlaten het gebergte waarin ze normaal hun leven slijten en komen naar het laagland waar de dorre kustgebieden door de regen in groene zones omgetoverd worden.

 

Nestbouw

De nesten worden overwegend van grashalmen gebouwd en hebben een koepeldakje. De opening zit aan een zijkant. Het heeft wel wat weg van de nesten van weversoorten uit Afrika. Alleen de Darwinsoorten bouwen het wel in een takgaffel. Tenmiste wanneer die voorradig is. De meeste verschijnen echter tussen de stekels van de cactussen die er meer voorkomen dan bomen.

De voorraad grashalm blijkt maar beperkt en er wordt onderling wat afgestolen! De binnenkant van het nest wordt gevoerd met fijne grashalmpjes, veertjes of korstmosjes.

 

Het aantal eieren varieert sterk: van één tot vijf.

Drie eieren is het meest voorkomend. Het wijfje broedt alleen en na 11-14 dagen verschijnen de jongen. Het wijfje wordt tijdens het broeden door het mannetje gevoerd. De jongen worden uit de krop gevoerd. Zo ook de die van de insectenetende soort! Deze wil in jaren dat er weinig mondvoorraad is, ten gevolge van droogte, wel eens een jaar het broeden overslaan. Nestcontrole wees uit dat veel eieren in zo’n geval niet uitkomen.

Is het broedseizoen afgelopen dan verzamelen jong en oud zich tot zwermen van een paar honderd stuks. De insectenetende soorten leven vrijwel constant als eenling.

 

Voeding

De verschillende snavelvormen vertellen ons veel over de soort voeding die de soorten eten. De grootte van de snavel hangt onder andere heel nauw samen met de vorm, hardheid en grootte van het zaad.

Leuk om te vermelden is nog dat de spechtvink en de mangrovenvink vooral insecten eten, waarbij ze echt als een specht in het hout hakken, de schors weg pikkend op zoek naar eetbare waren.

Zij kennen ook het gebruik van werktuigen hierbij. Het blijken de enige vogelsoorten te zijn over de gehele wereld die gebruik maken van een takje of een cactusstekel om insecten uit hun verstophoekje te porren. Vooraf wordt door de vogel het oor te luisteren gelegd bij het insectenholletje/gaatje om te horen of er echt jets van hun gading aanwezig is. Is dat het geval, dan gaat de vogel pas op zoek naar een geschikt hulpstukje om te gaan porren. Het blijkt dat dat porren misschien wel tot de erfelijke bagage behoort, maar dat het voorbeeld , gegeven door een soortgenoot, pas de navolging tot gevolg heeft.

 

Vijanden

De vijanden van deze vinken ontbreken ook niet. Ze hebben overdag te vrezen van de Galapagosbuizerd, de velduil en een addersoort. In de nacht vormt de kerkuil hun grootste bedreiging. Als reactie op zichtbare aanwezigheid van die vijanden vertonen ze een soort collectief scheldgedrag, wanneer ze zo' n belager te zien krijgen.

Ook verwilderde katten eisen hun tol.

 

Darwin of Galpagosvinken….. precies passend in Darwins evolutietheorie.

 

 

                                                                G.Frank