GROENE KONINKJES

 

In de sparren bij mijn huis scharrelen met wat hoge si-si geluidjes een paar heel kleine groene vogeltjes rond. Wanneer ik naar ze toe loop blijven ze rustig doorgaan met het zoeken naar wintermugjes en bladluisjes met behulp van hun puntige zwarte snaveltjes.

Het zijn de kleinste Nederlandse vogeltjes en ook van Europa: goudhaantjes (regulus regulus).

Hoe ze aan die naam gekomen zijn is mij nog nooit duidelijk geworden. Vermoedelijk heeft het te maken met het kuifje dat ze op kunnen zetten. Boven op hun kop zit een gelig streepje dat ze als een hanenkammetje recht op kunnen zetten. Het is of gelig of plots verschijnt er een diep oranje kleur. Hét kenmerk voor het geslacht. Geel is een vrouwtje, diep oranje een mannetje. Maar als ze zo rondscharrelen is dat niet te zien.

De Latijnse naam geeft daarom ook beter hun echte naam weer: koninkje. Een naam die de lading beter lijkt te dekken dan die bij ons.

In de uitgestrekte naaldbossen van Scandinavië komen ze veel voor als broedvogeltje en daar worden ze wél met een koninklijke naam aangesproken die in het Nederlands luidt: koningsvogel (Zweden) of vogelkoning (Denemarken).

Nu kennen ze zelfs twee goudhaantjes die in ons land ook broeden. Het gewone goudhaantje en het vuurgoudhaantje. Ze lijken sterk op elkaar, maar het vuurgoudhaantje heeft een witte oogstreep met daarboven een zwarte streep. Het gelige streepje is onder normale omstandigheden belijk, maar blaas je de kopveertjes even iets op dan is het oranjerode kleurtje in het geel bij het mannetje toch aanmerkelijk “vuriger dan bij het gewone goudhaantje.

 

Vooral in het najaar en de winter zwerven ze graag door het gehele land. Meestal in groepjes. Indie periode tref je ze ook wel in het polderland aan in de struiken en bomen, voortdurend het zachte en hgoe si-si geluid producerend om het groepsverband te kunnen blijven handhaven.

In mijn ringgebied in Oostelijk Flevoland vang ik ze regelmatig en het vreemde is dat ik er meestal meer vuurgoudhaantjes vang dan de soortgenoot.

Hangen ze in je net, dan ben ik altijd gefascineerd door hun geringe afmetingen. Met hun zeer dunne pootjes en hun ranke vleugeltjes, en het kleine lijfje zijn het net groenige balletjes. In het kopje een paar inktzwarte kraaloogjes. In hun gescharrel door struik en boom lijken het soms net groenige vlindertjes die van tak naar tak dansen. Soms daarbij \bijna stil staand aan een topje om ook daar de miniemst kleine insecten te kunnen zoeken.

Bij het vogelringonderzoek zijn we gewend om elke vogel te meten maar ook te wegen. Met behulp van een weegschaaltje dat op een halve gram precies weegt, kom dje dan tot de ontdekking dat een dergelijk vogeltje maar tussen de vier tot zes gram weeg! Wat een gewicht!

Nu mag ik graag iets vergelijken wat getallen betreft. Ga je nu uit van een gemiddeld gewicht van 5 gram. Dan kijk je vervolgens naar het gewicht van een nomale brief. Je mag 20 gram versturen voor een postzegel van 80 cent.

In vergelijking houdt dat in dat je in een normale envelop dus zo’n vier goudhaantjes zou mogen versturen voor tachtig cent. Begrijpt u nu waarom ik altijd weer onder de indruk ben dat ik dergelijke wezentje in mijn hand mag houden en bekijken!

 

Schuw?

In het voorgaande heb ik al geschreven dat deze vogeltjes het helemaal niet erg vinden wanneer je dicht bij hen in de buurt komt. In de loop van de jaren heb ik al allerlei leuke dingetjes met goudhaantjes meegemaakt.

Op een windstille zonnige herfstmiddag had mijn moeder een raam van de woonkamer opengezet.

In de vensterbank stonden twee grote rode geraniums. Ineens werd onze aandacht getrokken door een hoog si-si geluidje… tussen de bladeren van de geraniums….. draaide en fladderde een goudhaantje op zoek naar eten om daarna weer een conifeer dichtbij dat raam op te zoeken.

Verbazing alom, maar iets om nooit te vergeten…

 

Jaren daarna….

In de buurt bij Heerde stond ik in een berkenbosje te praten met een boswachter. De man had een ruige groene jekker aan. Rondom ons hoorde en zag je groepjes goudhaantjes. De man had met zijn hand een lage berkentak vast. Ineens zit er op die arm een goudhaantje. Het beestje wiekelde en draaide zelfs om die arm en bleef zeker een minuut bezig met het afzoeken van de ruige groene stof.

Van verbazing viel onze mond bijkans open. Ons gesprek viel stil. Ondertussen bleef het beestje rustig doorgaan ons met gitzwarte kraaloogjes aankijkend alsof het ons wilde vertellen dat ze nog nooit zo’n vreemde ruige tak in haar onderzoek betrokken had.

 

In sommige jaren zijn er hele invasies van deze vogeltjes vanuit het hoge Noorden. Van collega-ringers heb ik wel gehoord dat ze op een dag met behulp van een enkel netje in een windsingel honderden goudhaantjes vingen. Het zal je maar overkomen! Ik zou het graag ook zo eens beleven!

 

Het vuurgoudhaantje broedde destijds niet in ons land. Maar sinds de dertiger jaren heeft ook dit vogeltje kans gezien om een vaste nestelplek in ons land te verkrijgen.

 

Goudhaantje.

Ons kleinste vogeltje.

Broedt in dichte, voornamelijk dennenbossen.

Bouwt het nest vaak aan de top van een tak. Het nest bestaat uit korstmosjes en dikke spinnenraggen. Grote legsels, gemiddeld 8-9 eitjes, soms wel 13. De kleur van de eitjes is wittig, soms geel-bruinachtig. Aan de stompe kant donkere, vaak bruinige stippeltjes. Broedtijd varieert iets: van 14 tot 17 dagen.

Vrij algemene broedvogel in ons land. Kenmerkend zijn het groenige lijfje en de twee lichtere streepjes op de vleugeltjes.

 

                                                G.Frank