MEZEN.

PIMPELMEES-Parus caeruleus

 

Elk voorjaar rinkelt bij mij  regelmatig de telefoon en krijg ik vragen voor gelegd over nestkastjes, door mensen bij huis opgehangen met de vraag, waarom er geen vogels in zijn gaan broeden. Ze zouden het leuk vinden om ook eens van nabij het gezinsleven van een stel-vooral meesjes- mee te maken.

 

De laatste jaren heeft de aankoop van nestkastjes en grote vlucht genomen. Te kust en te keur worden ze in diverse zaken en tuincentra aangeboden. De een nog fraaier dan de ander. Je hebt ze zelfs in wanstaltige vorm.

Een ding is hierbij wel zeker: de garantie dat er ook echt vogels in zullen gaan broeden kan de verkoper van het kastje niet geven.

We kunnen de natuur soms wel een handje helpen, maar succes van zo' n poging blijft discutabel.

 

Bij dit artikeltje treft u een aantal leuke foto's aan van een Pimpelmees.Het geeft de mogelijkheid aan van een soort die vrij gemakkelijk bij huis tot broeden overgaat, maar ieder moet zich wel bewust zijn dat de vogel zelf wil dat er aan een aantal voorwaarden voldaan wordt

PLEK

Na wat heen en weer gevraag of een kijkje ter plaatse, kun je soms tot  vreemde  ontdekkingen komen. In de loop van de jaren heb ik heel wat keren heel rare dingen gezien. Nestkastjes hangend aan de bovenrand van een schutting, op het boeiboord van garage of schuur net onder de dakrand-het'gangpad' van de kat van de buren! Kastjes midden op een  kale stenen muur, waar de hele dag de zon op kan staan....

Geen uitnodigende plekjes, al zal zo'n kastje wel eens een kennismakingsbezoek krijgen. Broeden echter....... Neen.

Een juiste hangplek is en blijft heel belangrijk. Een beschutte plek, die geen last heeft van  bijzondere weersinvloeden, storm, regen, zon(hitte)

Het beste plekje is altijd nog tegen een boomstam. Echt hoog hangen is niet nodig. Vanaf twee meter boven de grond is het al goed.

Ophangen doe je al in oktober, november zodat passanten al kennis kunnen maken en het eventueel kunnen gebruiken als winterslaapplaats. Het wordt zo op tijd een onderdeel van de leefomgeving van de vogels in een bepaald gebied.

AANVLIEGROUTE

De aanvliegroute is erg belangrijk. Een vrij uitzicht en  een flink stuk open ruimte  voor het kastje is van doorslaggevende betekenis voor al of geen succes. De beste  plaats is die  waarbij de invlieg opening op het oosten of zuidoosten ligt, maar wel beschermd  blijft tegen te felle zon!

TERRITORIUM

Het al of geen  succes hebben met de bezetting van een kastje hangt nauw samen met het aantal kastjes in de omgeving en het aanwezig zijn van voldoende voedsel-insecten-Normaal zie je in najaar en winter flinke groepen Pimpelmezen met elkaar rondscharrelen in een bepaald gebied, maar zou gauw de broeddrang  op begint te spelen bakenen ook de Pimpelmezen hun broederf af en wordt elke indringer van de eigen soort verwoed verjaagd.

 

SOORTGENOTEN

De mezen behoren tot een groep van vogels die een behoorlijk vliegvermogen hebben, maar in zekere zin hiervan beperkt gebruik  kunnen en zullen maken. Het zijn geen overgrote vogels, maar zijn  erg ongedurig van aard  en in hun bewegingen.

Buiten de broedtijd  blijken het zeer sociale vogels levende vogels, die in flinke groepen rondtrekken. Vaak is de samenstelling van zo'n groep erg verschillend van samenstelling. Bij het vogelringwerk valt je dit op, doordat je soms in een keer een heel gezelschap vangt   Uitdrukkelijk een gevolg van hun sociale contacten via hun lol=roep-en alarmgeluiden .Hangend in het net lokken ze  daarmee hun soortgenoten.

In de loop van mijn jarenlang ringonderzoek krijg ik steeds meer de stellige overtuiging dat mezen in de winterperiode dagelijks steeds een bepaalde route volgen  In hun foerage tochten. Het valt me steeds r op dat je vaak op ongeveer hetzelfde tijdstip van een dag elke keer vogels uit zo'n groep terug vangt op hetzelfde plekje. Na verloop van tijd heb je zo de hele groep vrijwel in handen gehad en aan de ringnummers kun je  zien dat het vrijwel steeds dezelfde vogels uit die groep zijn. Zo'n groepje bestaat in ons geval dan uit een mengeling van Staartmezen, Koolmezen.Pimpelmezen.Matkoppen en soms Zwarte mezen.

Aan de kleuren in het  verenpakje kun je eigenlijk al uitmaken in wat voor leefomgeving mezen thuis horen. De donkere kleuren van de Kool, Staart- en Matkopmezen passen meer in de donkere, wat sombere naaldboombossen. De kleuren van de Pimpelmees wijzen in de richting van sterk gemengde, lichter aandoende loofbossen. Hun blauw en geel zijn beter afgestemd op een dergelijke omgeving. Koolmezen tref je vrijwel overal in ons land aan terwijl Pimpelmezen-ook geringer in aantal in ons land  dan de Koolmees, vrij weinig of geheel niet in streken met veel naaldhout voorkomen.

VOEDSEL

Mezen zien we in de winter veelvuldig op de voertafel bij huis, waar ze zich te goed doen aan de daarop aangeboden zaden en vetbollen. Pimpelmezen zijn echter kieskeuriger in hun voedselkeuze. Ze prefereren insecten, maar in de wintertijd schakelen ze bij voorbaat over op de zaden van bomen als berk en els. Neem je de proef door bij of op de voedertafel zaden van berk en els aan te bieden naast bijv kanariezaden, dan wordt de voorkeur wel aan het "boom"zaad gegeven.

Tegenwoordig kun je volop vetbollen kopen. Tot in de supermarkt toe. Deze bollen bevatten vaak erg veel rundvet.

Het mengselzaad in zo'n bol is vaak vrij grof. Zonnepitten vormen meestal een behoorlijk deel van het geheel.

 

In zomer en najaar verzamel ik vrijveel zaden van de berk. In de wintertijd-vooral n a een vorstperiode laten elzen hun roodbruine zaad volop vallen. Door met een stuk doek-vangzeil- onder elzen te werken kun je behoorlijk wat zaad van de  els te pakken krijgen. Doe je deze zaden nu door de  andere zaden bij het maken van vetbollen, dan blijkt dat die vetbollen de voorkeur krijgen van de Pimpelmees!

Wat ook leuk is om te proberen: ongezouten planten margarine mengen met dit zaadmengsel en op een ruige boomstam uitstrijken over een behoorlijk oppervlak.

Je weet niet wat je krijgt te zien!

Tel maar eens het aantal  Pimpelmezen dat zich eraan te goed doet i.t.m. de Koolmees.

 

 

 

2

NESTKAST

In de eerste plaats de nestelgelegenheid. Een kastje met de afmetingen: hoog 25 cm, met zijwanden van 15 cm breedte, waarvan er een tussen de twee ander zijwanden  draaiend is bevestigd,  een ruim overstekend dak aan de voorkant zal zeker voldoen.

De dikte van het hout dient minimaal anderhalve centimeter te zijn. Kastjes gemaakt van bijv betontriplex zijn goed weer bestendig maar houden het vocht ook vast in de kast. Een paar extra ventilatie gaatjes net onder de deksel voorkomen veel narigheid. Ook een paar boorgaatjes in de bodem zijn aan te bevelen.

Maar.... dan komt de afmeting van het vlieggat.

De doorsnede bepaalt de soort vogel, die er wel of niet in kan broeden.

Wilt u Koolmezen dan zal de doorsnede  minimaal 28 mm moeten zijn.

Maar gaat uw belangstelling juist uit naar de soort waar we het nu overhebben, dan  dient dit gaatje  geen grote middellijn te hebben dan  hooguit 25 mm. Zelfs is een gaatje van circa 23 mm aan te bevelen. De Koolmees kan er dan niet terwijl bij een groter gat en Koolmees en Pimpelmees er in kunnen. Dat kleine vlieggat is nodig om een eventuele kat geen mogelijkheden te bieden met de poot in het kastje te kunnen komen. Maak je het gat nog groter dan kan bij 32 mm de Huismus er nog niet in maar de Ringmus wel. Zo is een gat van 38 mm spreeuwen werend.

Een zitstokje onder het gat plaatsen is echt niet nodig

Wat wel verstandig is het plaatsen van een stuk blik of ijzeren ring om het gat. Zitten er spechten bij u in de buurt, dan is zo'n gat iets uitnodigend voor een specht om er behoorlijk rond om te hakken, met het nare gevolg dat de hele voorkant van de kast er aan gaat. Tegenwoordig komen er ook steeds meer Steenmarters  in ons land voor. Slimme rakkers die graag een vogeltje verorberen. Ook deze kun je weren door in het invlieggat een stukje  pijp van duurzaan materiaal te plaatsen. De vogel heeft er geen hinder van, maar het pootje van de marter kan niet bij de jonkies.

NESTMATERIAAL.

Wanneer je een nestkast opent van Pimpelmezen aan het begin van hun broedseizoen, dan valt  op dat  in eerste aanzet erg veel gebruik gemaakt wordt van mos. Vervolgens  vind je er veel haren in. In ons ringgebied blijken dat veel haren van reeën te zijn. Bij mijn huis zijn het vooral korte zwarte haren, vermoedelijk van onze hond en juist heel lange van paarden. Al hoewel ze gebruik kunnen maken van  de wol van schapen is dat materiaal nooit aanwezig op een enkel draadje na. Waar ze ook mee werken is met stukjes korstmossen:de geelgroene uitwassen die je  in stedelijke gebieden vaak op bomen,daken en oude muren aantreft. Fijne grashalmpjes vormen in de kom van haar het sluitstuk.

In dit zeer zachte kuiltje komen uiteindelijk de romig witte eitjes - met wat rossige stipjes  - te liggen.

Kenmerkend is het  aantal. Meestal  tussen de 9 en 14 eieren !

Een fors getal voor zo'n klein vogeltje.

Soortgenoot Koolmees doet het meestal maar met 6- 8 eieren

BROEDEN.

Pas wanneer het legsel voltallig is wordt er met het broeden begonnen. Ma heeft dan een forse broedvlek op de vrijwel geheel kale buik. Deze lijkt in die periode nog groter te worden. De broedtijd draait om de 14 dagen. Alle jongen komen gelijktijdig uit en dan begint de spannendste tijd voor het Pimpelmezengezin.Is het weer goed en...is er genoeg insectenvoedsel

Het wordt een voortdurend komen en gaan van pa en ma met allerlei insecten. Onvoorstelbaar waar ze die steeds vandaan halen en in welke aantallen Van soortgenoot Koolmees is bekend dat ze in deze periode ongeveer 70 kg insecten aanvoeren

.

Het is al een opgave om elke keer te tellen in een uur hoe vaak ze in- en uitvliegen.

Niet verwonderlijk is dat ze er aan het eind van het broedseizoen  zo smoezelig  uitzien.

 

Mezen zijn bijzonder proper, want nadat ze gevoerd hebben wachten ze even tot de jongen hun ontlasting; keurig in een dun doorschijnend vliesje verpakt- aanbieden. Dit nemen ze vervolgens in de bek , mee de nestkast uit- en op zo'n afstand van 3 tot 5 meter buiten het nest gedeponeerd.

Het nest blijft  keurig schoon en......eventuele vijanden worden door uitwerpselen  er nooit op attent gemaakt, dat er ergens in de buurt jong vogelgebroed te halen is.

Na verloop van  veertien dagen zijn de jongen vrijwel volledig in hun veren pakje gestoken. Wat later wit wordt- de wangetjes oa. Is dan lichtgeel van kleur.

Voor de 18e dag  zie je  ineens de hele familie uit de nestkast komen.

Druk piepend en bedelend worden de ouders er   op geattendeerd dat de jongen  op "stok'zijn.

Leuk om te zien wanneer zo'n rijtje op en tak achtereen volgens steeds op beurt gevoerd word t.

Het is vermakelijk om  zo'n nestkast te openen, nadat de jongen net uitgekomen zijn. In een kluit liggen de jongen  in de vrij diepe nestkom-kaal, voorzien van een fel geel gerand bekje.De oudervogel is door dat op lichtend geel  instaat  om in het halfdonker van de nestkast toch het juiste plekje te kunnen vinden om er voedsel in te deponeren. De randen zijn zeer gevoelig. Spert een jong niet dan is de geringste aanraking van zo'n gevoelig randje  de aanleiding voorhet jong om de bek te sperren. . Dat sperren is ook nodig om de  oudervogel in staat te stellen waar te nemen welk jong nog wel voedsel nodig heeft en welke net wat gehad heeft.

AANTALLEN

Het groot aantal jongen zou er voor kunnen zorgen, dat het aantal Pimpelmezen aanmerkelijk toe zou nemen in de loop van de jaren. Niets is minder waar. Na het broedseizoen zie en hoor je erg veel jonge Pimpels, maar bij het voortschrijden van het seizoen worden de aantallen al geringer. Veel jongen komen in de eerste paar weken om door allerlei oorzaken. Het weer kan van zeer grote invloed zijn.Maar rovers zijn er ook genoeg om zo'n nog niet ervaren ukkie te pakken.

 In de wintertijd  sneuvelen heel wat mezen door voedsel gebrek. Vooral strenge vorst en veel zware sneeuwval zorgen voor een enorme teruggang in aantal.

Bekijk je de levensduur van verschillende vogels , dan mag je uitgaan van een bepaalde levensverwachting (aantal levensjaren) per  soort.

Bij mezen ligt deze tussen de 1,1 en 1,4 jaar.

Dit houdt in dat heel veel Pimpels net aan broeden toekomen, misschien nog een legsel groot brengen en dan sneuvelen.

Een mogelijke oorzaak zou kunnen zijn dat ze te intensief zich bezig houden met voedsel zoeken voor de jongen en niet voldoende oog hebben voor eventuele gevaarlijke situaties  met dood tot gevolg.

Vandaar dat je heel vaak nestkasten  treft  waarin alle jongen op zo'n dag of 10 oud afgestorven zijn!

Het aantal legsels van een Pimpelmees bedraagt zelden meer dan EEN per jaar. Mogelijk mede een gevolg van de korte levensverwachting van de oudervogels.

 

3

Die levensverwachting is uiteraard  gemiddeld dat we aan de weet komen door ons ringonderzoek, Toch vangen we wel eens zeer oude Pimpels vangen.  "vogels met ervaring" die zo'n jaar of acht geworden zijn. Uitzonderingen echter.

NAAM

Het woordje PIMPEL geeft volgens het etymologische woorden boek aan dat je te maken hebt met iets wat zwak is en teer is.

Nu is de Pimpelmees geen grote vogel, maar alhoewel het volgens de naamgeving zwak en teer zou zijn, kom je als ringer  tot een andere conclusie. Ondanks hun kleine snaveltje zijn ze in staat daar behoorlijk kracht mee uit te oefenen.

Wanneer ze je te pakken hebben in het velletje van je vingertoppen, weet je al gauw dat een Pimpelmees tot veel in staat is!

Veel mensen gebruiken  de naam Pimpel, maar vergeten dan dat je daar eigenlijk een klein glaasje of een mutsje mee bedoelt

GESLACHTSONDERSCHEID

Met enige ervaring is het vrij goed onderscheid te maken  tussen mannetje en vrouwtje. De jongen vertonen in de eerste maanden nog vrij veel gele veertjes in het wit van de wangen. Bij het ouder worden komt ook het blauw steeds meer"door"

Mannetjes vertonen een veel diepere blauwe kleur op bovenkop, kleine slagpendekveren en staartveren dan het vrouwtje.

De grote slagpendekveren ruien ze in hun eerste levensjaar vrijwel nooit. Ook hier is verschil te ontdekken in de blauwe waas.

Na het eerste levensjaar is de kleur bij het mannetje daar veel intenser dan bij het vrouwtje.

 

Bastaardering

In 1968 had ik het geluk een zgn. Pleske mees te vangen. Tot nu de eerste en de enige in ons land.

In een groep Pimpelmezen trof ik een apart gekleurde, veel lichtere vogel aan met een vrijwel witte pet.

Naarstig overleg volgde met een aantal vooraanstaande ornithologen. De uiteindelijke conclusie werd, dat we te maken hadden met een bastaard van de Azuurmees(Rusland) en een Pimpelmees.Nu is bekend dat achter de Oeral in Rusland deze twee soorten wel eens met elkaar paren. Hoe het mogelijk was dat ik in december 1968 een dergelijk meesje in Oostelijk Flevoland in de buurt bij Elburg ving, zal altijd een vraag blijven. Daar het een soort was die destijds door Pleske het eerst beschreven is, kreeg het beestje de naam van Pleske mees mee. Zo staat het ook in de avifauna van Nederland vermeld.

Begin 1969 heb ik hierover een uitgebreid artikel geschreven voor ons bondsblad. In dit artikel kunt u precies lezen wat er zoal meegebeurd is en welke plannen Professor Voous en ik er mee hadden. Het huidje/balgje ligt nu  in de vogelverzameling van de Vrije Universiteit in Amsterdam.Eventueel kunt u haar daar-het was een vrouwtje-nog te zien krijgen!

 

Pimpelmees,Blauwmutsje,Blauwmeesje,Hemelmees.........streeknamen voor dit mezensoortje.