OORSPRONG VAN DE WATERSLAGER

 

De opkomst van de waterslager en de kweek er mee mogen we stellen zo rond 1920. De wetenschappelijke naam voor deze vogel is serinus, een vogelsoort die er een behoorlijke familie op na houdt.

Er zijn in Afrika namelijk zo’n 27 soorten die tot de familie serinus behoren en over de hele wereld zijn dat er dertig. Het is een familie van groengetinte zangers met verschillende groottes.

In ons land kennen we de Europese Kanarie, een erg op de pop van de sijs lijkend vogeltje.

In mijn lange loopbaan als vogelringer heb ik ze maar zelden gevangen en toe ik er een ving dacht ik ook in eerste instantie te doen te hebben met een sijsje.

Opvallend is echter bij deze vogelsoort dat de snavel niet op die van een sijs lijkt. Hij is korter, anders van kleur en echt een kegeltje.

 

In Zuid Limburg had ik ze wel eens gezien en oor horen zingen, maar dan zaten ze heel ver bij me vandaan in het topje van een hoge struik of boom. Ze waren opmerkelijk schuw, waardoor je er niet dicht bij kon komen.

Slechts één keer trof ik hem zingend op een bovengrondse electriciteitsleiding aan in de buurt van Heerlen. Toen heb ik hem echt goed voor het eerst kunnen bekijken, maar het bijzonder korte kegelvormige snaveltje viel me pas op toen ik hem voor het eerst in handen kreeg.

 

De Afrikaanse soorten kennen we allemaal: de geelgroene zangertjes als de Mozambiquesijs, de geelstuit edelzanger, de edelzanger, de wilde kanarie. Afwijkend van kleur bij deze serinussoorten is de alariovink. Deze heeft een zwarte kop, nek en keel en een zwarte streep aan weerszijden van de borst. De kraag is wit en de rug heeft de kleur van kaneel. Deze vogel leeft in Zuid-Afrika. In West Afrika komt daar weer een ondersoort van voor die een wit gezicht en keel heeft.

 

De Wilde Kanarie, waarvan onze kanaries afstammen, komt voornamelijk voor in het westelijk deel van Afrika, met name op de Canarische Eilanden, Madeira en de Azoren. Op de Bermuda eilanden komen ze ook voor, maar daar zijn ze terecht gekomen door import.

De invoer naar Europa zou terug te voeren zijn op de Spaanse invasie, waardoor ze zo rond 1478 in Europa kwamen.

En ….. vanaf die tijd is deze vogel in allerlei vormen en kleuren zijn tocht over de wereld begonnen, waarbij ook de veredeling van de zang een plaats kreeg.

Kruising

Binnen de soort serinus is er door de familieband een grote mate van overeenkomst te constateren. Een gevolg hiervan is dat daardoor kruisingen vrij gemakkelijk tot stand zijn te brengen en dat de jongen uit een dergelijke kruising in sommige gevallen ook vruchtbaar blijken te zijn.

Tegenwoordig zouden we mogen stelen: er is een behoorlijke overeenkomst in het DNA en de genen.

De zang van de Wilde Kanarie stelt niet veel voor.

Het is een wat krasserig liedje, waar je met heel veel moeite misschien nog wat terug kunt vinden van wat we vandaag de dag aanduiden met fluiten, heul/holrol. Het stelt echter niet veel voor.

Daarom moet je het petje afnemen voor die mensen die in de loop van zeg maar eeuwen, kans gezien hebben om met nooit aflatend geduld de zang van deze vogels te cultiveren. Met als gevolg dat je nu vogels kunt beluisteren die er een gedegen lied op nahouden, zacht en melodieus als van de Harzer en het diepe volle staccato, felle bij de waterslager.

 

Het zijn er naamloos veel die dit tot stand brachten …. en nog steeds brengen!

et zhHe

 

                                                G.Frank