VOGELFYSIOLOGIE: VEREN, 2

 

Een vorige keer ben ik nogal uitgebreid ingegaan op de vormen van veren die je aan een vogellichaam kunt vinden. Ik tipte toen even aan de functie van het warm houden van het lijfje.

Tussen de veren zit lucht. Deze lucht is bij een zittende, maar zelfs ook vliegende vogel grotendeels in rust.

De lichaamswarmte van het lijfje wordt overgedragen aan die lucht. Op deze manier zit de vogels als het ware in een omgevingswarmte die grotendeels gelijk is aan zijn eigen lichaamswarmte.
Doordat de veren dakpansgewijs over elkaar liggen vindt er ook vrij weinig overdracht plaats van warmte aan de omgeving.

Vogels die het koud hebben, let maar eens op een koude dag op de mussen bij uw huis. Dan valt het op dat de vogels dikker lijken. Ze zetten hun veren wat uit. Op deze manier wordt het volume van de lucht tussen de veren vergroot en wordt de beschermende luchtlaag wat “dikker’ en voelt de vogel, voor zover we dat dan kunnen zeggen, behaaglijker.

Een vogel die niet in conditie is zal dus proberen het “warmer” te krijgen door zijn veren uit te zetten. Zo’n vogel valt direct op in een vlucht omdat het verenpak een bolvorm krijgt tussen de slankere overige vogels. De vogelhouder weet dan dat die vogel niet gezond is.

Het plaatsen in een warmere omgeving zorgt er voor dat het zieke lijfje minder warmte behoeft te produceren. Een verwarmde ziekenkooi is uiteindelijk nog niet zo’n gek bezit. Ze zijn te koop, maar een handige knutselaar kan er zelf ook een fabriceren. Het liefst met thermostaat. Hjermee kunt u dan de temperatuur regelen tot net boven de lichaamstemperatuur van de vogel (38-40 ° Celsius).

 

Groei

Veren leven zolang ze groeien. Na de uitgroei is dat dus voorbij. Een vogel besteedt dagelijks erg veel tijd aan het onderhoud van zijn veren. Een vogel die dat niet doet is niet in conditie.

Ze wrijven met hun snavel een bepaald vet over de buitenkant van hun veren waardoor er een zekere glans ontstaat. Dit vet wordt weggehaald net boven de staartwortel. Echter lang niet alle vogels hebben zo’n vetkliertje. Deze kunnen het dus niet met vet doen, maar ze wrijven een soort talk er overheen. Reigers bijvoorbeeld missen die vetklier.

Bij watervogels zoals eenden en ganzen is de vetklier juist erg sterk ontwikkeld omdat deze hun pakje waterdicht moeten zien te houden.

 

Kleur

Veerkleur is erg belangrijk omdat aan de veerkleur binnen een vogelsoort al vaak het sexeverschil is waar te nemen. Ook bij kanaries is dat goed te zien. Een man is over het algemeen wat dieper van kleur op bovenkop (net boven de snavel vooral), schouders en borst.

Bij andere soorten zijn de verschillen vaak groter in de kleur van de grote slagpennen. Een man groenling heeft in de grote slagpennen aan de kleine vlaggen alleen maar geel. Bij een wijfje zit er naar de schacht toe een bruinig randje. Zelfs bij jongen die net uit nest komen is dat al te zien.

Jonge merels lijken in de eerste levensweken sterk op elkaar, maar de jonge mannen hebben al een zwarte staart. Het verenkleed bij jonge vogels is in de eerste levensfase vrijwel altijd gelijk. Geleidelijk aan in de loop van de eerste levensmaanden treedt pas het verschil op.

 

Vliegen

Het vliegen heeft mensen altijd geboeid. Het blijkt niet zo eenvoudig te zijn. Pak je een vogel in de hand en spreid je een vleugel helemaal uit dan blijkt dat de boven kant bol is en de onderkant iets hol. Door die bolle bovenkant stroomt de lucht tijdens het vliegen aan de bovenkant sneller weg dan aan de onderkant. Op de grens van de slagpennen en de slagpen­dekveren zitten de duimveren op het hoekje. We noemen die ook wel de duimvleugels.

Nu regelt dat duimvleugeltje precies en nauwkeurig de richting van die bovenluchtstroom. Aan de bovenkant treedt als het waren Iuchtver­dunning op ("een beetje onderdruk”) en onder de vleugel neemt de luchtdruk wat toe. Door dit verschil in luchtdruk wordt de  vleugel als het ware omhoog getrokken (omhoog gezogen)  en geduwd. We noemen dit de “lift”. De vogel gaat omhoog.

 

Glijvlucht

Houdt de vogel de vleugels gespreid en stil -meeuwen zijn er kunstenaars in - dan krijg je een eenvoudige manier van zweven. Er treedt wrijving met de lucht op. Zou de vogel door zijn  vleugels niet te bewegen de voortstuwing niet op gang houden dan gaat hij naar beneden. Om in de lucht te blijven gaat een vogel of over in duikvlucht, waardoor de snelheid toeneemt en de luchtdruk boven de vleugel aanmerkelijk afneemt en hij weer stijgt (ook hij maakt hij wel gebruik van thermiek -opstijgende warme lucht - of de windsnelheid.). Of in het andere geval maakt hij een slagbeweging met zijn vleugel. Het mechaniek dat hier dan in werking treedt is dat bij de opslag de vlaggen van de slagpennen door buigen naar boven - er ontstaat spleetvorming - en de lucht doorlaten en bij de neerwaartse slag sluiten de pennen als dakpannen over elkaar en houden ze de lucht tegen en wordt het vogellijfje om hoog gebracht.

De snelheid waarmee een vogel vliegt verschilt per soort en heeft ook iets met de leefwijze of de manier van voedsel zoeken te maken. Zwaluwen heb ik wel eens voor bij het raam van een trein zien vliegen terwijl die trein toch zijn volle snelheid had. Van gierzwaluwen zijn wel snelheden gemeten van 324 km per uur!

In periodes van slecht weer in ons land pendelen gierzwaluwen soms even heen en terug naar Zuid Frankrijk om daar bij beter weer mondvoorraad voor hun jongen te halen, zo heeft onderzoek uitgewezen. Met zo'n snelheid is dat op deze manier een paar uurtjes!

Slechte vliegers zijn meestal de hoenderachtigen. Het vrijkomen van de grond is voor sommige soorten niet een­voudig. Zwanen nemen als het ware een soort aanloop over het water voordat ze hoogte kunnen winnen. Hun start is moeizaam. Door opnames van het opvliegen te maken met supersnelle camera’s is men inmiddels erg veel te weten gekomen over de opeenvolgende vleugelstanden. Met computeranimatie is dat goed duidelijk te maken. Hierop is tegenwoordig een groot deel van  de voortbeweging  van supersonische vliegtuigen ook zichtbaar te maken, waardoor nog grotere snelheden bereikt kunnen worden dan men aanvankelijk aannam.

 

Kolibries

Kolibries zijn specialisten in het stilstaan in de lucht. Zelfs kunnen ze gemakkelijk achteruit vliegen. Dit is mogelijk omdat ze in verhouding tot het lichaam maar hele korte "armvleugeltjes” hebben. Deze draaien vrij rond in het schoudergewricht. Op deze manier werken hun vleugels als een propeller. Deze manier van vliegen kost het beestje onnoemelijk veel energie. Maar....daar is zijn leefwijze - pure honing als energiebron -  weer op ingesteld.

 

Meeuwen maken u op een stormachtige dag –zwevend, zwiepend en zwaaiend in de wind  deelgenoot van een wonderbaarlijk schouwspel over vliegen van vogels, waarover u net dit artikeltje las.

 

                                                                G.Frank