IN DE KEUKEN VAN….. BIANCA EN BERRY STRAATMAN TE HAALDEREN
Sinds tien jaar bezig met de kweek van uitsluitend mutaties
van gouldamadines; eerst met blauwen en daarna met onder andere gelen en
witten. En dat met z’n tweetjes.
Drie redenen om Bianca en Berry Straatman te bezoeken.
Het begin
Berry is via zijn vader met vogels in aanraking gekomen. Deze kweekte kleurkanaries zodat Berry al vroeg met het vogelvirus besmet raakte. In die beginjaren had hij onder andere kleurkanaries, parkietjes, rijstvogels en andere tropische vogels waaronder ook gouldamadines. Tijdens zijn diensttijd en enkele jaren daarna werd de vogelhobby een aantal jaren onderbroken. Tien jaar geleden, toen hij ging samenwonen met Bianca, zijn ze samen aan gouldamadines begonnen. Het eerste jaar met behulp van Japanse meeuwtjes. Dit beviel heel slecht: een grote rommel, vuile nesten en bovendien weinig jongen daadwerkelijk op stok. Geen positieve ervaringen dus. Toen zijn ze overgegaan op 100% natuurbroed met enkel gouldamadines.
Hoe bevalt dat?
Beiden hebben dezelfde smaak wat betreft soort vogels, de Gouldamadine dus.
Verder ook wat betreft de mutaties die ze prefereren.
De vogels worden
zoveel mogelijk samen verzorgd, ofschoon beiden buitenshuis werken en onregelmatige
diensten hebben. Tijdens de maaltijden en ’s avonds bij de borrel worden de
wels en wees van het gouldsgebeuren besproken.
Bij het koppelen gaan
Bianca en Berry er eens goed voor zitten en wordt alles tot in de perfectie
uitgepluisd. “We doen niet aan lijnenteelt; alles is tot in de derde generatie
onverwant van elkaar”.
Er zijn veel
kleurslagen op het hok aanwezig, dus enig overleg is wel op zijn plaats.
Het vogelverblijf
ziet er perfect verzorgd uit: alles is tot in de puntjes op orde. De vrouwenhand…….?
Bianca en Berry zijn
lid van vogelvereniging “Bemmelse Vogelvrienden” uit Bemmel en tevens van “De
Martel” uit Huissen. Daarnaast zijn ze lid van de speciaalclub van natuurbroed
gouldamadines.
De gouldamadines zijn
bijzonder luxueus gehuisvest in een groot vogelverblijf, gemaakt van een oude
berging. Het verblijf is ruim, licht en luchtig; een tegelvloer, een
schrootjesplafond en voorzien van tegeltjes tegen de wanden. Verder een
aanrecht en ….. een tweetal rotan fauteuils!
Er bevinden zich 24
ruime broedkooien die door Berry zelf zijn gemaakt van geplastificeerd
spaanplaat. De voorfronten zijn met behulp van plastic randen aan de plaat
bevestigd. De voorfronten steunen aan de onderkant op plastic randen (eveneens
van meubelmateriaal). Zie foto’s.
Naast de broedkooien
zijn er zes ruime kooien waarin de jonge gouldamadines worden opgekooid en
waarin de vogels blijven zitten totdat ze volledig door de rui zijn.
Buiten het
broedseizoen worden de mannen en poppen volledig gescheiden en gehuisvest in
een tweetal ruime vluchten. “Dat gebeurt in de vrije natuur ook zo; dan vormen
mannen en poppen afzonderlijke groepen. De lange zitstokken in de vluchten zijn voorzien van een hele rits donkerblauwe
wasknijpers die om de tien centimeter zijn aangebracht. Dit voorkomt veel
gepluk en geklier bij de vogels.
Het lichtregiem: het
hele jaar door vanaf 6.00 uur ’s morgens tot 22.00 uur ’s avonds. Het hok is
zeer goed geïsoleerd, hetgeen geen overbodige luxe is. De verwarming staat
namelijk dag en nacht op 20 °Celsius.
In de diepe tuin is
een prachtige volière aangelegd van negen bij drie meter. Aansluitend nog een
nachthok van drie bij drie. In deze volière vliegt een bonte mengeling van
vogels zoals pestvogels, putters, sijsjes, gouldamadines, blauwgrijze
roodstaartjes en binsenastrildes. De volière is van heel veel groen voorzien
zodat de vogels zowel veel vliegmogelijkheid hebben alsook veel schuil- en
broedmogelijkheden.
De voeding is niet zo
ingewikkeld: een goede exotenmengeling en dagelijks eivoer (CeDe), dat met
water wordt rul gemaakt. Het eivoer wordt tweemaal per dag verstrekt. Buiten
het broedseizoen minder dan tijdens de kweek. Ofschoon liefhebbers vaak klagen
dat goulds het opfokvoer vaak slecht opnemen is dat bij de Straatmannen niet
het geval: de vogels eten
voortreffelijk
eivoer. Eenmaal per week krijgen de vogels wat trosgierst; deze wordt met behulp van een wasknijper op een
zitstok bevestigd.
De pas gespeende
jongen krijgen dagelijks trosgierst ter beschikking om ze vlotter aan het
vreten van zaden te krijgen. De trosgierst wordt dusdanig aangebracht dat de
vogels geactiveerd worden en bezig gehouden.
Er zijn 24
broedkooien voorhanden; deze hoeven niet perse allemaal vol vogels te zitten.
“De koppels die het aangeven mogen broeden”.
De vogels mogen twee
keer, maximaal drie keer broeden en worden daarna van elkaar gescheiden. Oudere
koppels mogen maar één keer broeden.
Wanneer vogels voor
het eerst bij elkaar gezet worden, worden ze goed geobserveerd door Bianca of
Berry. Je ziet meteen of de vogels van elkaar schrikken. “Wanneer het mannetje
zingt en het popje met het kopje schudt zit het wel goed”.
Een koppel met goede
broedzorg doet het een jaar later meestal ook goed; er is echter geen garantie
te geven. Het gebeurt vaak genoeg dat een koppel het ene jaar goed fokt en het
jaar erna alles in de steek laat. Omgekeerd gebeurt echter hetzelfde.
De conditie én de
leeftijd zijn belangrijk. De Straatmannen zetten geen vogels in de broedkooien
die niet minstens één jaar oud zijn. Ook moet men er goed op letten dat de
mannen in broedconditie zijn. Niet alleen de pop dus!
De jongen worden,
uiteraard, geringd met vaste voetringen. Daarnaast krijgt elke jonge een
kleurring. Een vast kleur per koppel oudervogels. Zo kunnen de jongen ook per
ouderkoppel gevolgd worden nadat ze gespeend zijn en in een grotere groep in de
babykooi zitten. Op de vensterbank staat een grote pot met plastic ringetjes.
Voldoende voor duizenden gouldamadines…..
Hoeveel jongen? Het
ene jaar vijftig, het jaar erna meer dan honderd. Je kunt er niet van op aan.
Op dit moment zijn er al 70 jongen in de broedkastjes of in de vluchtjes
aanwezig. Het belooft dus een heel goed jaar te worden. Alles echter zonder
garantie.
“In de rui vallen er
nog vaak genoeg jongen uit”. Iemand die geen uitval kent tijdens de rui heeft
vast en zeker geen gouldamadines.
Op een leeftijd van
zeven weken worden de jongen bij de oudervogels weggehaald. Er worden dan
telkens een paar nesten tegelijk gespeend: de vogels kunnen dan van elkaar
afkijken hoe er gegeten en gedronken moet worden. De eerste week zijn de jongen
doorgaans heel vitaal; daarna zitten ze er wat popperig bij totdat de rui
voltooid is. Een goede temperatuur en veel rust zijn voorwaarden voor een
voorspoedige rui.
Een groepje van
verschillende nesten gespeende jongen
wordt in een aparte kooi geplaatst waar ze rustig kunnen ruien. Negen van de
tien keer valt de rui stil wanneer je jongen tijdens de jeugdrui verplaatst.
Opvallend is dat de gele mutanten eerder op kleur zijn dan de wildkleur, de
blauwpastellen of de zilverkleurige gouldamadines.
Met name veel gelen
met witborstfactor: geel (roodkop, oranjekop en zwartkop), geelovergoten in
rood-, oranje- en zwartkop. Alles in witborst.
Blauwe witborsten,
blauwpastellen, zilver, witten.
Onze kweek is
“spannend”. Telkens kunnen er allerlei kleuren uit de verschillende combinaties
geboren worden: “toverballen” volgens Bianca.
Zo proberen Bianca en
Berry de koppels ook samen te stellen. Ze blijken dan ook goed op de hoogte te
zijn van de wijze van vererving van de verschillende kleurslagen. Uiteraard een
vereiste wanneer je alles onder controle wilt houden bij de kweek.
De broedvogels zijn
in principe mutanten, waaruit natuurlijk ook af en toe wildkleurvogels geboren
worden die split zijn voor de een of andere mutatie.
De gele mutant is in
verhouding ruim vertegenwoordigd. Gele poppen zijn er zat te koop; voor een
gele man moet je het hele land door.
Bianca en Berry houden
zich met name bezig met het fokken van mutaties. Beiden vinden dat er weinig
mutanten op de verschillende vogelshows worden tentoongesteld. Bovendien zijn
beiden van mening dat de diverse gouldmutanten op de wedstrijden vaak
ondergewaardeerd worden door de keurmeesters.
Men weet wel precies
waaraan de wildkleur dient te voldoen, maar van de mutanten weten ze niet
altijd het fijne. “De opmerkingen passen vaak niet bij de mutatie die men
beoordeelt.”
Een pluim op de hoed
van de keurmeesters van de A.N.B.v.V. is dat deze (volgens de Straatmannen)
beter op de hoogte zijn van het keuren van mutanten gouldamadines.
Een hoogtepunt vinden
beiden de jaarlijkse speciaalclubwedstrijd voor natuurbroed gouldamadines
alwaar meer dan zeshonderd gouldamadines geshowd worden. Deze show gaat
trouwens met ingang van het jaar 2000 naar Elst in Gelderland. Bijna een
thuiswedstrijd dus.
Op de eerste dag
worden de vogels door de verschillende keurmeesters beoordeeld; op de tweede
dag kunnen de adspirant keurmeesters de vogels keuren en een toelichting
krijgen op de vogels door hun leraren.
Koop liefst enkele
koppeltjes natuurbroed goulds. Er is echter nooit een garantie te geven dat
dergelijke vogels zelf voorbeeldig zullen gaan broeden en hun jongen perfect
zullen grootbrengen.
Is een legsel
onbevrucht, laat de vogels dan de onbevruchte eieren “uit” broeden. Ze blijven
dan in hun bioritme zodat je meer kans houdt dat de tweede ronde wél bevruchte
eitjes en (hopelijk) jongen oplevert.
Wanneer je nieuwe vogels
hebt aangeschaft moet je er rekening mee houden dat deze minstens drie tot vier
maanden nodig hebben om te wennen aan het nieuwe hok en de andere verzorging.
Kweekkoppels in broedconditie willen ooit veel eerder tot broeden overgaan.
Laat je niet uit het
veld slaan bij de eerste de beste tegenslag. Er zullen er ongetwijfeld nog vele
volgen.
De gouldamadine geeft
er echter ook heel veel voor terug: een schitterend gekleurde, rustige vogel
die een lust is voor uw oog.
Henk
Branje